Wie actief probeert baby's uit elkaar te houden, kan dat leren

Hoe komt het toch dat alle Chinezen op elkaar lijken? Of, voor Chinezen en andere Aziaten, dat alle Europeanen op elkaar lijken? Het onderwerp werd afgelopen zaterdag bemijmerd in de rubriek Alledaagse Wetenschap in de wetenschapsbijlage van deze krant en toevallig is er gisteren nieuw onderzoek naar online gezet, bij Journal of Experimental Psychology: Human Perception and Performance. De crux is, zo suggereren twee nieuwe experimenten: wie vaak actief probeert individuen in een groep te herkennen, kán dat op den duur ook. Passief voortdurend aan een bepaald type gezichten blootgesteld worden, helpt geen zier.

Voorafgaand aan hun studie hadden Israëlische psychologen het inzicht: mensen uit een andere leeftijdsgroep uit elkaar houden is ongeveer net zo moeilijk als mensen van de andere kant van de aardbol. En baby’s uit elkaar houden is helemaal ingewikkeld. Maar vrijwel niemand ziet er daar ook genoeg van. Behalve verpleegkundigen op een neonatologieafdeling – die zien ze voortdurend voorbijkomen.

Maar tamelijk passief, toonden de onderzoekers aan: babyverpleegkundigen (vrouwen met 2 tot 30 jaar ervaring) waren niet beter in het herkennen van individuele baby’s op foto’s dan verpleegkundigen die nooit beroepshalve een baby zagen.

En dat terwijl baby’s uit elkaar houden vrij eenvoudig te trainen is, lieten de onderzoekers in een vervolgexperiment zien. Daarin oefenden vijf studenten, jongemannen, op drie achtereenvolgende dagen met foto’s van twaalf babygezichtjes. Daarna waren ze even goed in staat om nieuwe babygezichten uit elkaar te houden als nieuwe gezichten van volwassenen.

Nu kan het ook zijn dat jongemannen van nature beter zijn in het uit elkaar houden van baby’s dan jaren oudere vrouwen– maar dat ligt niet erg voor de hand.