'Jurist moet romans lezen'

Het is allemaal taal: juridische taal, literaire taal. Rechter en hoogleraar Jeanne Gaakeer verbindt zemet elkaar. ‘Literatuur vergroot je empathie.’

Op gedichtendag stuurde Jeanne Gaakeer haar collega-raadsheren aan het gerechtshof in Den Haag het gedicht ‘De vreugde van het schrijven’. ‘Waar rent die geschreven ree door het geschreven bos naartoe?’, vraagt de Poolse dichteres Wislawa Szymborska in de eerste regel. Het gedicht gaat over de ‘vier van de waarheid geleende pootjes’ van de ree, over de mogelijkheid die de dichter heeft om met letters, inkt en papier jagers te laten verschijnen die met een toegeknepen oog zullen aanleggen op de ree. ‘Ze vergeten dat dit niet het leven is’, schrijft de dichteres: misschien zal zij besluiten de kogels in hun vlucht te stuiten, of zelfs alles stil te leggen.

Mr. Jeanne Gaakeer (1956), behalve raadsheer ook bijzonder hoogleraar Rechtstheorie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, vindt het belangrijk dat haar collega’s en zijzelf niet vergeten, nooit vergeten, dat wat zij op papier voor zich zien niet het leven is. De dossiers zijn het leven niet, de aanklachten niet, de processen- verbaal niet en de vonnissen evenmin.

Het is allemaal taal.

Het vakgebied van Gaakeer is de verhouding tussen recht, taal en literatuur, oftewel: ‘law and literature’. Literatuur kan een bijzondere rol spelen in en voor het recht – denk aan de Belgische rechter die vorige week een verkeersovertreder beval de roman ‘Tonio’ van A.F. Th. van der Heijden te lezen.

Zelf studeerde Gaakeer zowel Engelse taal- en letterkunde als rechten. Ze werd universitair docent rechten en, omdat ze tijd over had, zoals ze achteloos beweert, ging ze er filosofie bij studeren. Het leek haar niet zo’n grote stap die studies met elkaar te verbinden. „En toen had ik beet.” Ze kwam al snel tot het inzicht dat er een fundamentele overeenkomst is tussen recht en literatuur, doordat beide gebruikmaken van de taal – zelfs geheel en al daarvan afhankelijk zijn. „Daarom is er in de literatuur voor juristen veel te leren.”

De juridische taal verschilt anders nogal van de literaire.

„Nou en of. Ik heb wel eens een omzetting gelezen van het versje ‘Mary had a little lamb’ in juridische taal. Dan krijg je zoiets als ‘Party of the first part’ voor Mary en ‘little party of the second part’ voor lamb en zo. Dat is grappig, maar het laat ook meteen een aantal dingen zien. Bijvoorbeeld dat juridische taal geen recht doet aan de directe ervaring van mensen. En ook dat de manier waarop je iets zegt, belangrijk is voor de betekenis van wat je zegt.

„Wij rechters schrijven bijvoorbeeld graag in de lijdende vorm, omdat ‘iedere nadere beslissing wordt aangehouden’ neutraler klinkt dan ‘de rechtbank houdt iedere nadere beslissing aan’.”

‘Vorm is inhoud’, zeggen dichters en literatuurwetenschappers. Maar dan praten ze over poëzie, niet over recht.

„Dat is precies wat één van de grondleggers van dit vak, Benjamin Cardozo, zegt, maar dan voor het recht. Het is ook zo. Op colleges laat ik wel eens een paar van de stijloefeningen van de Franse schrijver Raymond Queneau voorlezen. Het duurt vaak tot de derde versie voor de toehoorders doorhebben dat ze steeds hetzelfde verhaal, dezelfde zogenaamde ‘feiten’ te horen krijgen. Dat is voor de studenten vaak een eyeopener. Je moet aandacht hebben voor het verhalende element. Bij juristen ligt de nadruk vaak te sterk op het regelkarakter. Dat is een enorme verschraling. Als je niet uitkijkt, ben je bezig zaken op te lossen alsof het logische syllogismen zijn: als a, dan b, enz. Het literaire verhaal kan je juridische blik ontwrichten.”

Waarom moet de juridische blik ontwricht worden? Die zorgt toch juist voor grotere objectiviteit?

„Omdat het om mensen gaat. De mens is een verhalend dier. Wij leven met verhalen en door verhalen. Als ik straks thuiskom, vertel ik over die mevrouw van de NRC die mij kwam interviewen en u vertelt over die raadsheer die u sprak – dat is ons leven. Als je aandacht hebt voor verhalen heb je ook aandacht voor de mens als auteur van zijn eigen verhaal. Maar het is niet zo dat de verdachte alleen verteller is en de rechter alleen de ontvangende partij. Wat wij rechters ‘de feiten’ noemen, wordt voor een groot deel bepaald door onze eigen zienswijze, onze vooroordelen, ons milieu, professionele blinde vlekken, enzovoort.”

Daar is nu eenmaal weinig aan te doen.

„Maar je kunt wel leren daarvoor oog te krijgen. Als je leest: ‘Jan ging vrijdagavond naar een feestje. Zaterdagochtend werd hij wakker met zware hoofdpijn’, dan denkt menigeen meteen al te weten waardoor die hoofdpijn van Jan kwam: te veel gedronken op dat feestje. Maar dat hoeft helemaal niet. Literatuur maakt je van de veelheid aan mogelijkheden bewust. Romans en verhalen houden ons vrij letterlijk ook vaak een spiegel voor wanneer ze gaan over rechters, of aanklagers, of advocaten. Dan zie je ineens wat ‘tunnelvisie’ betekent. Bijvoorbeeld.”

Zijn uzelf de ogen wel eens geopend door een boek?

„Er zijn zoveel boeken die me iets geleerd hebben. Maar als ik er eentje zou moeten noemen, dan misschien ‘Billy Budd’ van Herman Melville, waarin de verdachte scheepsmaat, Billy Budd, slecht uit zijn woorden kan komen en per ongeluk een officier doodslaat. De kapitein is overtuigd van de onschuld van Billy Budd, maar zodra hij als rechter gaat optreden, laat zijn manier van feiten samenrapen en de uitleg die hij geeft aan toepassing van de wet hem toch geen andere mogelijkheid dan een terdoodveroordeling.

„Je ziet daar dat, zonder inzicht in de omstandigheden van het concrete geval, het recht geen recht kan doen. Je moet je inleven in de situatie en zo lang mogelijk de verschillende perspectieven in het oog houden – ‘the willing suspension of disbelief’, noemde de Engelse dichter Coleridge dat: het bewust opschorten van ongeloof. Niet meteen zeggen: ‘Maar meneer, u kon toch weglopen?’, als iemand zich bedreigd voelde en een klap heeft uitgedeeld. Literatuur lezen vergroot je empathie.”

Of lezen juist de mensen die toch al empathisch zijn graag literatuur?

„Er zit misschien een zekere circulariteit in, ja. En toch: door te lezen, kun je reflecteren op wat je overkomt, en op wat een ander overkomt, op wat dat voor jou, of die anderen, betekent. Het is een ethisch ideaal, om daarvoor oog te willen hebben. Maar natuurlijk is literatuur lezen geen garantie, en je kunt ook moeilijk onderzoek doen naar het effect ervan. ‘Lees en wordt empathisch’, zo werkt het niet.

„Op mijn bureau in het Paleis van Justitie staan, behalve wetboeken, ook de complete werken van Shakespeare en de gedichten van Emily Dickinson. Die hebben op de relevante punten nog steeds veel te bieden. Die laten je zien waarom je de ene keer strikt de regels toepast en de andere keer een beetje ruimte moet laten. ‘I dwell in possibilities’, schreef Dickinson. Dat is een mooi motto voor een rechter.”