Je doet bijna niets en je hoort bijna niets. Maar je schiet vooruit

NRC-redacteur Arjen Fortuin is schaatser en (half)Fries. Zoals zijn vader hem ooit schaatsen leerde, zo leert hij het zijn zoon. Want er is niets mooier dan schaatsen. Op echt ijs, met echte wakken in echte kou. Verlaten en in stilte.

Gisteravond kwam het eerste mailtje: „Ik las het gaat vriezen trouwens, vind je het leuk als we je bellen als we plannen hebben voor een tocht?” Vrijdag is het ijs dik genoeg, zaterdag gaat het vast dooien. Dus het moet.

Want hoeveel kansen krijgen we nog, met anderhalve ijswinter in vijftien jaar. Als het al eens vroor, begon het te sneeuwen en bleef het ijs eindeloos dun onder het isolatiedek. In elk geval weet ik nu waar mijn schaatsen liggen. Drie jaar geleden brak op de eerste schaatsdag acute paniek uit: waar in de opslag liggen ze? Zijn ze wel meeverhuisd? De Noren lagen bij de watersandalen.

Ooit leidden mijn schaatsen een onregelmatig maar opwindend leven. Bij zachte winters konden ze twee jaar ongebruikt in het donker liggen, maar als het vroor, dan draaide ineens alles om ijs. Plotseling viel je vriendenkring in twee delen uiteen: de schaatsers en de niet-schaatsers. De tweede groep sprak je pas weer als het dooide.

Ik schaats niet overdreven snel (tekort aan kracht), niet overdreven mooi („Je hebt wel een heel persoonlijke slag ontwikkeld”) en niet overdreven ver (nooit meer dan zestig kilometer). Maar wel veel, vaak en extreem gepassioneerd.

Want er is niets mooier dan schaatsen. Op natuurijs. Kunstijsbanen zijn de hel. Toegegeven, een hel met ijs – maar toch een hel. Om de drie slagen word je er gestoord. Door voor je Vikings langs schietende ijshockeykinderen. Door muziek. Door hysterische hardrijders die je toeschreeuwen dat je in ‘hun baan’ zit. Door machines die om de haverklap iets met het ijs moeten doen. En door die ellendige bochten, die elke keer opduiken als je net lekker in je slag zit – ‘pootje-over’ heb ik helaas nooit onder de knie gekregen.

Schaatsen doe je in de buitenlucht, op echt ijs met echte wakken en echte scheuren in echte kou. Op zoek naar verlatenheid en zo veel mogelijk stilte. Want als je helemaal netjes afzet, met de schaats recht op het ijs, maak je eigenlijk geen geluid. Er klinkt hooguit een kort, zacht krasje. Bewegen doe je amper: je deint heen en weer, duwt zachtjes met je voeten het ijs weg. Je doet bijna niets, je hoort bijna niets. Maar je schiet als een komeet vooruit. Ergens in die combinatie van trage, bijna lome bewegingen en hoge snelheid zit de verslavende werking van lang rechtdoor schaatsen.

De lichamelijke sensaties worden nog versterkt doordat bij het schaatsen allerlei spieren pijn gaan doen waarvan je vergeet dat je ze hebt als het niet vriest, in je scheenbeen bijvoorbeeld. En dan is er na afloop nog dat idiote gevoel dat je hebt als je weer met gewone voeten op gewone grond staat.

Op een dag in 1987 kwamen alle puzzelstukjes van de schaatservaring bij elkaar. Ik hoefde niet naar school omdat het onderwijzend personeel een ‘materiaaldag’ voor zichzelf had uitgeroepen. Met mijn vader schaatste ik de hele dag door Waterland, ten noorden van Amsterdam. Iets voor de schemering viel bereikten we de IJsselmeerdijk. Ik wilde de andere kant zien, mijn vader bleef achter met een klein defect aan zijn Friese doorloper.

Op mijn knieën kroop ik tegen de dijk op. Het bevroren IJsselmeer, zich spiegelglad uitstrekkend zo ver als het oog reikte, doodstil en keihard en ijskoud, met alleen één lange barst die richting horizon liep. Een horizon die eigenlijk was verdwenen, want de lucht had dezelfde grijsblauwe kleur als het ijs. Nu ja, dezelfde honderden soorten grijsblauw. Er was geen mens, geen beweging te zien. Er was niets.

En het ijs was dik genoeg. Iedere slag op het bevroren meer kan ik me nog voor de geest halen.

Een half leven later zijn er de kinderen. Mijn oudste zoon was drie toen hij bijna voor het eerst op natuurijs stond. Het had een nacht gevroren en op het zes centimeter diepe watertje in het park achter ons huis lag ijs. Dik genoeg om steentjes op te gooien, maar ik durfde hem er toch niet op te zetten. Morgen is het dik genoeg, beloofde ik. Tot in juni vroeg hij hoopvol of er vandaag dan ijs zou liggen dat dik genoeg was.

Twee jaar later kon het wel. Het werd niet zo’n groot succes. Wel voor zijn kleine broertje, dat blij wegrende op zijn dubbele ijzers. Maar de oudste moest écht leren schaatsen. Op Friese doorlopers, want zo leer je het het beste. Maar het was koud. En wanneer had ik zelf eigenlijk voor het laatst doorlopers ondergebonden, hoe dééd je dat ook alweer. We hebben het een tijdje geprobeerd, maar steeds draaiden de doorlopertjes opzij onder zijn voet vandaan. Na een halfuur sprak mijn zoon met blauwe lippen: „Ik houd meer van sneeuw.”

Nu is hij acht en de tijd begint te dringen: het moment om bepaalde principes in de ijskast te zetten. Zo stonden wij zondagmiddag in de lange rij voor de schaatsverhuur van de Jaap Edenbaan. Zijn eerste slagen op de huurnoren gingen moeizaam, de veters moesten opnieuw vast. Na een rondje hand in hand liet ik hem los. Het lukte. Vloeiend ging het allemaal niet, maar geleidelijk aan herkende ik een bepaald type, eh, heel persoonlijke slag. Na een uur had hij blaren. Alles komt goed.