Hollywood en historie

Mensen die met een beperkt historisch besef opgroeien, zijn gemakkelijk slachtoffer van filmproducties die geschiedenis gebruiken als decor voor entertainment. Ze kijken naar een film over een historische figuur, maar in werkelijkheid zien ze een geromantiseerde, deels gefingeerde weergave voor hapklare consumptie. Films als JFK en Frost/Nixon hebben een vast patroon. Democraten zijn goed. Republikeinen zijn slecht. Ook Britse conservatieven zijn slecht. Twee films die nu in de bioscopen draaien, J. Edgar en The Iron Lady, vormen een uitzondering. Beide zijn eerlijke pogingen om de historische figuren J. Edgar Hoover en Margaret Thatcher in een verantwoord historisch perspectief te plaatsen.

Is dit gelukt?

In deze films kijkt zowel J. Edgar Hoover, die 48 jaar directeur was van de Amerikaanse Federal Bureau of Investigation (FBI) en voorafgaande opsporingsdiensten, als Margaret Thatcher, de langstzittende premier van het Verenigd Koninkrijk in de vorige eeuw, terug op het leven vanuit de oude dag. Hoover en Thatcher gaan van de ene flashback naar de andere. Zo verbinden ze het relaas.

Bij Hoover is dit een logische formule. De baas van de FBI werkte aan zijn eigen geschiedschrijving. Hij verpersoonlijkte de FBI en voerde een permanente campagne voor de politiedienst, onder meer met de televisieserie The F.B.I., die in de jaren zeventig ook werd uitgezonden in Nederland. Hoover had persoonlijk acteur Efrem Zimbalist jr. geselecteerd om het imago van de FBI – rechtvaardig, onkreukbaar en spijkerhard – te verkopen als merknaam aan een nieuwe generatie. Hoover was zelfpromotie, met stripverhalen en films over de G-Men, Government Men.

Bij The Iron Lady is die vorm betwistbaar. De film toont haar verleden vanuit de leefwereld van een oudere, fragiele vrouw, aan wie een verregaande vorm van dementie wordt toegedicht. De vraag is of deze weergave van haar dementie te ver gaat. Ik heb Thatcher anderhalf jaar geleden twee keer ontmoet. Ze is met haar 87 jaar inderdaad fragiel en misschien ook vergeetachtig. Ik ontmoette haar terwijl de media in die periode schreven dat ze seniel was. Sommigen voegden eraan toe dat ze dat altijd was geweest. Het getuigt van weinig respect voor haar historische verdienste om een film op te hangen aan de figuur van een dementerende Thatcher, ook al redt het acteertalent van Meryl Streep de film. Die flashbackformule werkt verstorend en versnippert de historische context. Thatcher was zonder twijfel de sterkste premier van het naoorlogse Verenigd Koninkrijk en heeft al haar demonen verslagen – de vakbonden, de Argentijnse generaals, Labour, de Irish Republican Army en het communisme, in een premierschap van tien jaar.

J. Edgar Hoover heeft in zijn verfilming te kampen met een andere demon – onderdrukte homoseksualiteit. Deze insinuatie heeft hem altijd omringd en werd gevoed door de nauwe band die hij onderhield met zijn rechterhand Clyde Tolson. In J. Edgar wordt deze suggestie de rode draad en niet de uiteindelijke prestatie van Hoover, die van de FBI een opsporingsdienst maakte van internationale faam. In de film vertelt Hoover aan Tolson dat hij een affaire heeft met een vrouw en denkt aan trouwen. Hierna ontstaat een vechtpartij tussen de twee. Deze eindigt met een kus. Na de dood van zijn moeder doet Hoover haar ketting om en hult hij zich in haar jurk.

Is dit allemaal waar? Is het fictie of feit? Mark Felt, jarenlang tweede man bij de FBI – en uiteindelijk de Deep Throat die Bob Woodward van The Washington Post voorzag van informatie over de Watergate-inbraak – spreekt van een „broederlijke band”, maar geen seksuele. Regisseur Clint Eastwood van J. Edgar gist hier, maar, toegegeven – het had veel erger gekund.

In 1992 publiceerde Anthony Summers een boek getiteld: Official and Confidential: The Secret Life of J. Edgar Hoover. Hierin werd beweerd dat Hoover in 1958 in het Plaza Hotel in New York had deelgenomen aan een orgie, gekleed in een pluizige jurk en netkousen, op hoge hakken en met een pruik op. Het zijn geruchten, voortkomend uit een scheidingszaak van het koppel Susan en Louis Rosenstiel, met wie Hoover was bevriend. Er is geen enkel historisch bewijs. Eastwood was zo eerlijk dit buiten de film te houden. Regisseur Oliver Stone zou zijn gezwicht voor dit soort verleidingen. Hij maakte in 1991 de film JFK, die niet meer is dan geschiedenis – de moord op Kennedy – als basis voor fictie. JFK was een pure samenzweringstheorie van een Hollywoodgeneratie die in president Kennedy een held zag en in rechts Amerika de duivel.

Ook The Iron Lady, geproduceerd door Britten, werkt met stereotypen. Conservatieven zijn er gevoelloze, humorloze buldogs, die Thatcher maar een greengrocer’s daughter vinden. Dit past in het linkse wereldbeeld, met de Conservatieve Partij als the nasty party. Ik zit met Britse conservatieven in één fractie en heb de grootste lol, maar, toegegeven – het is een special breed.

Thatcher heeft het Verenigd Koninkrijk gered en een nieuw tijdperk ingeluid. Hoover heeft, met al zijn duistere kanten, de FBI nagelaten. Wie evenwel films voor waarheid aanziet, denkt dat Thatcher een demente vrouw was en Hoover een hypocriet. Dit miskent hun historisch leiderschap.