Eindelijk een titel - en van dat gezeik af

Stefan Groothuis, die na een magistrale rit op de 1.000 meter zondag de wereldtitel sprint won, kreeg weinig cadeau in zijn carrière.

Redacteur Schaatsen

Calgary. Voorzichtig een uurtje aquajoggen in het zwembad van Brummen, tussen de huisvrouwen van het dorp. De toekomstperspectieven van Stefan Groothuis waren vijf jaar geleden nogal bleek toen hij maandenlang moest revalideren na een ongelukje bij een proefstart in Thialf. Hij had met zijn schaats zijn eigen achillespees doorkliefd. Terwijl de wond heelde, werd zijn schaatsteam Telfort opgeheven. Geen ijs, geen schaatsen, geen ploeg.

Dat rampseizoen was slechts één van de boze dromen die Groothuis zondag verjoeg, toen hij op het middenterrein van de Olympic Oval van Calgary de hoogste sprong uit zijn leven maakte. De dertigjarige rijder uit het Gelderse Empe werd op het Canadese wonderijs de vierde Nederlandse wereldkampioen sprint, na Jan Bos (1998), Marianne Timmer (2004) en Erben Wennemars (2004 en 2005). En met een wereldrecord punten.

Eindelijk, eindelijk, eindelijk. Hij bleef het maar herhalen – één lange, euforische ontlading. „Hier heb ik zo lang op gewacht”, stamelde hij na zijn spectaculaire machtsgreep.

Nee, Stefan Groothuis kreeg weinig cadeau in zijn loopbaan. Het talent van de oersterke schaatser – zijn ploeggenoten noemen hem Bokito – stond nooit ter discussie, ook niet bij concurrenten als Shani Davis of Lee Kyu-hyuk, de viervoudig wereldkampioen die hij onttroonde. „Maar elke keer was er wel wat. Of ik verknalde het zelf, of ik werd ziek. Eindelijk valt het een keer op zijn plek.”

Zijn lijst met tegenvallers is lang en leest als een verhaal van twaalf ambachten, dertien ongelukken – helemaal in contrast met zijn vakkundigheid op de ijsbaan. Misschien komt het door zijn bescheidenheid dat hij bij het grote publiek relatief onbekend bleef te midden van een generatie grote sprinters, met wereldkampioenen als Bos en Wennemars, en olympisch kampioen Mark Tuitert. Zelfs zijn generatiegenoten Beorn Nijenhuis (intussen gestopt) en Simon Kuipers trokken jarenlang meer aandacht dan Groothuis. Geen man van grootspraak of zelfmedelijden. Maar, tot zondag, ook geen man van internationale titels.

„Die jongen gun je dit ontzettend”, glunderde zijn coach Jac Orie die eerder aan de basis stond van de wereldtitels van Timmer en Wennemars. Samen met krachttrainer Ton Leenders blinkt de Haagse coach al jaren uit in het beter maken van schaatssprinters. „Dit is de mooiste”, zei Orie. „Hier zit zo’n geschiedenis achter. Die struggle, dat doorzettingsvermogen. En maar weer door, toch maar weer. Als je zijn carrière ziet, is het geweldig dat hij nu op het podium staat.”

Groothuis wist dat de tijd ging dringen toen hij vorig jaar tijdens het WK in Heerenveen tegen zijn zoveelste frustratie was opgelopen. Vooraf gold hij als serieuze kanshebber, nadat hij eerder dat jaar wereldbekerwedstrijden had gewonnen op de 1.000 meter. Maar in Thialf had hij zijn tweede 500 meter verknald en werd hij gediskwalificeerd wegens een overschrijding van baanlijnen. Voordat zijn uitsluiting was teruggedraaid, had hij zijn woede afgereageerd op een hek in de catacomben. „Ik heb een partij gejankt. Dat doe ik niet gauw. Ik was er echt een tijd ziek van.”

Maar ook vorig jaar vond hij in de zomer nieuwe motivatie. Hij werd vader en ging er nog maar een keer „met frisse tegenzin” tegenaan. Weer kwamen de vragen van de journalisten: waarom maak je het nooit af? „Alleen al daarom ben ik blij met deze titel. Ik ben nu eindelijk van jullie gezeik af”, sprak hij met een grijns.

Het zat hem diep. In het olympische jaar 2010 was hij, vlak voor de Spelen van Vancouver, getroffen door een bacteriële infectie aan de luchtwegen, vermoedelijk opgelopen in een vliegtuig. Penicilline had de bacterie gesloopt, maar ook zijn conditie. De vierde plaats op de 1.000 meter was het hoogst haalbare. En het slechtst denkbare.

Het jaar daarvoor was hij op het wereldkampioenschap sprint in Moskou onderuitgegaan bij de start van de eerste 500 meter. Dat jaar werd hij bij de WK afstanden vierde op de 1.000 meter. Weer vierde, weer niks.

Maar de schaatser die liefhebber is van Russische literatuur en de rockband Race Against the Machine gaf nooit op. „Omdat ik gewoon een heel goeie schaatser ben, die knetterhard kan rijden”, zei hij in de catacomben van de Olympic Oval. „In Nederland rij ik iedereen al jaren aan puin. Nationale kampioenschappen win ik regelmatig, en met grote overmacht. Ik vond dat ik in dat rijtje thuishoor: als winnaar van óf een WK sprint, óf bij WK afstanden, óf zelfs de Olympische Spelen.”

Ondanks alle tegenslagen bleef hij zich ontwikkelen, zegt Orie. „Met de Spelen had hij ontiegelijk veel pech, toen hij drie weken ziek was geweest. Maar daarna ontwikkelde hij zich toch verder. Dat is niet iedereen gegeven. Hij wordt elk jaar beter.”

Hij trainde na het mislukte WK sprint van 2009 eindeloos op het verbeteren van zijn start. Zoals hij progressie bleef boeken op de 1.000 en 1.500 meter. Hij versloeg steeds vaker de Amerikaanse middenafstandspecialist Shani Davis en won dit seizoen ook op de schaatsmijl zijn eerste wereldbekerwedstrijd. Hij pakte vooral zijn zwakke plek aan, de 500 meter, waarop hij te veel tijd verspeelde op de Aziaten. Vorig jaar maakte hij een grote sprong op de kortste afstand, en dit jaar opnieuw.

Zijn specialiteit, de 1.000 meter, werd er niet minder op. Met ploeggenoot Kjeld Nuis domineerde hij de eerste seizoenshelft. Zondag bevestigde hij zijn kwaliteiten in een magistrale laatste rit waarmee hij Davis (1.07,11) versloeg, een Nederlands record (1.06,96) reed en zijn Koreaanse belagers Mo en Lee op een onoverbrugbare achterstand zette.

Misschien waren al die tegenslagen wel ergens goed voor geweest, maar Groothuis twijfelt. „Ik had die andere jaren ook kunnen winnen.” Wel kwam hij door zijn achillespeesblessure bij de toenmalige DSB-ploeg van Orie. „Sinds ik bij Jac ben, ben ik veel harder gaan rijden. Wat wel verandert als je een jaar niet schaatst, is de waardering voor wat je doet op de ijsbaan. Ik zat toen op de bank te kijken hoe verschrikkelijk hard die gasten reden in Calgary. Toen dacht ik: shit, dat wil ik ook.”

Het geheim van de Control-ploeg, van Orie? Het trainingsprogramma zit goed in elkaar, vindt Groothuis. „Hard werken, de goeie dingen doen, rust nemen wanneer het moet. Net als Jac ben ik ook niet iemand die houdt van psychologisch gelul.”

De beloning voor zijn vasthoudendheid kreeg hij zondag in Calgary, waar hij ze allemaal voorbleef, van Kyu-Hyuk tot Shani Davis, van Dmitry Lobkov tot Mika Poutala. Eindelijk.