De lusten en lasten van Berlijn

In de processie van Echternach, waar de aanpak van de eurocrisis al geruime tijd veel van weg heeft, deed Europa gisteren twee stapjes vooruit. Leiders van 25 van de 27 lidstaten verplichtten zich tot nieuwe en strengere begrotingsregels en het voornemen om budgettaire discipline in de nationale wetgeving te verankeren. Het ESM, het nieuwe steunfonds ter waarde van een half biljoen euro, schiet al halverwege dit jaar noodlijdende landen te hulp, een jaar eerder dan voorzien.

Er valt nog genoeg te verlangen, bijvoorbeeld een steunfonds dat nog veel groter is. Wellicht dat het bestaande fonds EFSF parallel aan het ESM wordt voortgezet. En dan zijn er nog de stroperige onderhandelingen tussen de banksector en Griekenland over een afwaardering van de Griekse schuld, die onder toenemende tijdsdruk komen.

Europa verplicht zich intussen steeds meer tot de Duitse aanpak van de crisis. Bondskanselier Merkel laveert omzichtig tussen de gevoelde noodzaak tot een grotere politieke integratie in Europa, de noodzaak voor Duitsland om de eigen financiële slagkracht in te zetten en de opinie van het Duitse publiek.

Dat maakt het hele proces zo precair en traag, maar wellicht kan dat op dit moment ook niet anders. Het verschil in tempo tussen de langzame molens van de nationale en internationale politiek en de hyperactieve financiële markt zorgt daarbij voor misverstanden en frustraties. De recente relatieve kalmte op de markten komt dan ook als geroepen, al kan de zaak op elk moment weer exploderen.

In een proces dat zo langzaam en stapsgewijs gaat, moet af en toe de balans worden opgemaakt. Waar is de eurozone op dit moment naar op weg? Een al te rigide begrotingsbeleid, verankerd in nationale (grond-) wetten is economisch niet altijd verstandig, tenzij daar later op federaal niveau flexibiliteit aan wordt toegevoegd. In de Verenigde Staten is het de afzonderlijke deelstaten ook niet toegestaan tekorten te hebben, maar daar is altijd het herverdeelmechanisme van Washington, waardoor een conjunctureel begrotingsbeleid wel mogelijk is.

Anderzijds is het toestaan van te veel uitzonderingen in de nu te maken begrotingsafspraken een receptuur voor later ongerief, zoals het Stabiliteitspact heeft aangetoond. Dat uitgerekend Duitsland in 2003 die afspraken schond, wijst erop dat wat wij nu als ‘ijzeren Duitse discipline’ zien, ook nog niet zo oud is of blijvend hoeft te zijn. Maar Duitsland doet het nu eenmaal als een van de weinige landen economisch goed en heeft dus het gelijk van de winnaar. Het heeft de macht die komt met de diepste zakken en met de beste reputatie op de markt. Met die macht komt ook verantwoordelijkheid: om een nieuwe eurozone te helpen vormgeven waarin alle lidstaten zich kunnen blijven vinden, ook wanneer de crisis achter de rug is.