Cruijff als ware opvolger van Plato

Of het nu om schaatsen of voetbal gaat – Nederland gaat uit zijn dak. Waar komt die sportverdwazing eigenlijk vandaan?

Rutger Bregman

Historicus

We zitten middenin het schaatsseizoen. Dat betekent uren en uren van televisie waarin potige mannen en vrouwen zo snel mogelijk dezelfde rondjes proberen af te leggen. De meesten van ons vinden het geweldig. Maar waarom eigenlijk?

Voor een begin van een antwoord moeten we twee jaar terug in de tijd, toen de schaatser Mark Tuitert werd gehuldigd in zijn geboorteplaats Holten. De geluksvogel was olympisch kampioen op de 1500 meter geworden. Genoeg reden voor een feestje, zo dacht de gemeente. De lokale SGP besloot het evenement echter te boycotten. Fractievoorzitter Ben Beens stelde dat topsport een ‘ongezonde vorm van sportverdwazing’ is. Toen hem werd gevraagd wat hij zou doen als zijn dochters naar de huldiging zouden gaan, reageerde Beens dat hij daar niet bang voor was. Zijn dochters hadden namelijk nog nooit van Mark Tuitert gehoord.

Laten we, voordat we de beste heer Beens van totale wereldvreemdheid beschuldigen, eens kijken naar zijn punten van kritiek. De gemeente Holten moest fors bezuinigen, onder andere op het ambtenarenapparaat. Er was zelfs geen geld meer om naar het jaarlijkse congres van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten te gaan. Vervolgens werd er wel, zonder enige discussie, 5.000 euro uitgegeven voor de huldiging van Tuitert. Daar lijkt iets te wringen.

Wat is er überhaupt zo interessant aan topsporters? Hun innemende persoonlijkheid kan het niet zijn. Bekijk eens een interview – als je er eentje hebt gezien, ken je ze allemaal: ‘Ja eeehhhh, het was een moeilukke wedstrijd eeeh nou ja enneh toen zettuh hun veel druk en ja dan moet je scherrup blijvuh om te winne’ – en nog uren van dit soort inhoudsloze sport-‘journalistiek’. Toch vinden we de topsporters interessant genoeg om op de voet te blijven volgen. Tijdens het WK voetbal begint het journaal doodleuk met de mededeling dat ‘de spelers in het vliegtuig zitten’, een uur later: ‘de spelers bevinden zich in de bus’, dan: ‘de spelers komen de bus uit met een iPod in hun oren’, de ‘spelers eten een broodje kaas’ – enzovoorts.

Voor een historicus rijst al snel de vraag hoe dat vroeger zat; deden we toen ook zo opgewonden over sport? Sport is een cultureel fenomeen en heeft dus een geschiedenis. Een aantal vragen komt op: Waarom zijn topsporters de laatste jaren zoveel op televisie? Is dit een trend of zijn er diepere wortels van sportverdwazing aan te wijzen? En wat is het verband tussen sportverdwazing en de grote moderniseringsprocessen, zoals secularisering, nationalisme en industrialisering?

De Grieken en Romeinen begonnen met de bouw van arena’s waarin sport als massa-entertainment werd aangeboden. Gladiatorengevechten waren een vorm van topsport, maar dan met een iets groter beroepsrisico. Vanaf het moment dat de emotie bij de sport naar binnensloop, waren er hooligans. In de Oudheid bestonden al goed ontwikkelde verenigingen die de verschillende teams van spelers in een aantal sportevenementen steunden; dit was met name het geval voor wagenrennen. Keizer Justinianus (482-565), zelf aanhanger van team Blauw, veroorzaakte in Constantinopel het beruchte Nika-oproer toen hij een massa fans van het wagenrennen uiteen liet drijven. Dat resulteerde in een mislukte staatsgreep, een brandende stad en dertigduizend doden.

De geschiedenis van de georganiseerde topsport begint pas echt in de negentiende eeuw. Naarmate de samenleving bureaucratiseerde, werden ook de regels van de verschillende sporten vastgelegd. Door de industriële revolutie kregen arbeiders steeds meer vrije tijd. Zij verhuisden naar de stad, waar ze naast werk ook op zoek gingen naar afleiding en entertainment. Dat laatste vonden ze in de topsport, die steeds serieuzer werd georganiseerd.

De geestelijke grootvader van Ben Beens, Abraham Kuyper, was een enthousiast sporter: ‘Ge zoudt uw eerenaam van gereformeerd verbeuren zoo ge over het lichaam heen liept’, aldus de voorman van de Anti-Revolutionaire Partij. Van protestantse zijde zijn er belangrijke impulsen naar de Nederlandse sportbeoefening uitgegaan, bijvoorbeeld via de Amsterdamsche Jongemannen Vereeniging. Daarbij was men overigens wel beducht voor de ‘verslapping van de zedelijke moraal’ die de sport teweeg zou brengen. Gemengd sporten was uit den boze en de kerkdienst mocht onder geen beding worden gemist.

Sport was lange tijd een elitaire aangelegenheid. De voetballers van het Nederlands elftal werden in hun latere leven directeur, huisarts, juwelier of bankier. Dat kunnen we ons nu met de beste wil van de wereld niet voorstellen, al wordt Johan Cruijff om onnavolgbare redenen wel als de enige ware opvolger van Plato beschouwd. Het aantal Nederlandse sporters is sinds 1900 enorm gestegen. Waren het er indertijd hoogstens dertigduizend, nu zijn het er meer dan vijf miljoen. Toch zijn er nog altijd meer Nederlanders die niet sporten dan Nederlanders die dat wel doen.

Dat sport onze samenleving alsnog domineert, heeft alles te maken met de komst van het massapubliek. De werkelijke topsport is verhuisd van het veld naar de bank. Uren en uren houden we het vol om te kijken naar de pogingen van blozende kaaskoppen om nog net een honderdste van een seconde harder te rijden. Dankzij radio en televisie is sport een miljoenenbusiness geworden.

Aanvankelijk waren er nauwelijks nationalistische sentimenten in de sportbeoefening te vinden. Pas na de Tweede Wereldoorlog gingen de prestaties van onze sporthelden nationale beroering veroorzaken. Misschien dat de sportverdwazing onze nationalistische sentimenten op goedaardige wijze kanaliseert. Dat zou beteken dat topsport een buitengewoon nuttige functie vervult. Af en toe wat gedonder met hooligans en enig verdriet na het zoveelste WK-fiasco lijken een schamele prijs voor een wereld zonder gewelddadig chauvinisme.

Er is ook een opvallende correlatie tussen de naoorlogse secularisering en de groeiende populariteit van topsport. Soms lijkt Cruijff de nieuwe Messias en het stadion de moderne kerk. Een voetbalwedstrijd is eigenlijk net een kerkdienst. Denk aan de theatrale opkomst van de spelers (de kerkenraad komt binnen), het handen schudden van de aanvoerders (de ouderling van dienst begroet de predikant) en het aanheffen van het volkslied (beste gemeente, het openingslied is Gezang…).

In dat licht zijn de bezwaren van de SGP helemaal terecht. Sport kan een nationalistisch gemeenschapsgevoel en een religieus aandoende vreugde (of verdriet) oproepen. Dat is zonder meer een vorm van verdwazing. Maar juist daarom slaan de gereformeerde bezwaren weer op de SGP zelf terug. Zolang zij nog subsidie krijgen van de Nederlandse Staat moeten ze niet zeuren over de gesubsidieerde vieringen van andere (sport)gelovigen, zoals die voor Mark Tuitert in Holten. Dat is vrijheid van godsdienst, nietwaar?

Op 23 februari verschijnt van Rutger Bregman het boek Met de kennis van toen. Actuele problemen in het licht van de geschiedenis bij de Bezige Bij