Straffen of regelen?

Het was een beleefde brief. In de aanhef stond zoiets als ‘geachte mevrouw’. Vervolgens vroeg de briefschrijver of een van zijn romanpersonages naar bed mocht met een van mijn romanpersonages. Hij formuleerde het iets virieler, maar hier kwam het op neer.

Voilà! Eindelijk een kwestie met intellectuele allure. Ik pakte een handboek over auteursrecht erbij en ging na of een personage een beschermde creatie is. Persoonlijkheidsrechten, mompelde ik. Overdracht. Exploitatierechten. Is een personage in ieder opzicht je eigendom?

Precies op dat moment begon in mijn achterhoofd mijn personage te zeuren. Ze had er eigenlijk wel zin in, zei ze, een uitstapje naar het werk van zo’n warmbloedige auteur. Opgesloten in het beschaafde universum van mijn geest zat ze al weer veel te lang zonder seks – zelfs de meest intellectuele hoofdpersoon wil weleens wat. Maar ik tikte haar met het Compendium Eigendomsrecht gevoelig op haar neus. Nee, zei ik. En daarmee was de zaak afgedaan. Een auteursrecht is gelukkig een absoluut verbodsrecht.

Intussen had half letterkundig Nederland dezelfde brief van de briefschrijver gekregen. En die viel niet overal in goede aarde. „Ook ik werd verblijd met een dergelijk epistel”, schreef een collega. „Het vreemde is dat de brief bij mijn broer bezorgd werd, maar wel degelijk voor mij was bestemd. Ik ga de politie inschakelen, want ik vind dit absoluut niet kunnen.” Een ander had alvast een delictsomschrijving verzonnen. „Ik doe vanmiddag aangifte van stalking bij de politie en zou jullie willen aanraden hetzelfde te doen (e-mails printen, brieven meenemen). Als meer mensen aangifte doen wordt dit heerschap mogelijk eindelijk eens goed aangepakt.”

Zo werd maar weer eens duidelijk dat mensen meer geïnteresseerd zijn in strafrecht dan in civiel recht. Staat er iemand op de stoep die vraagt iets te mogen uitspoken met hun intellectueel eigendom, hun teksten, hun data, dan barsten ze allereerst los in morele verontwaardiging en een schreeuw om de politie. Schande! Aangifte! Straffen! Geen beter verweer dan het slachtofferschap. „Voor overleg met zijn medeslachtoffers sta ik open”, schreef een auteur. „Sterkte allemaal!”

Terwijl het verzoek om toestemming toch vooral om civiele vragen draaide. Mag ik jouw personage hebben? Heb jij een eigendomsrecht? Ben je beschermd tegen mijn inbreuk op je civiele rechten? Geen onbelangrijke vragen zijn het, en hoe nadrukkelijker de wereld draait om data en informatie, hoe belangrijker ze worden. In het informatietijdperk is het gehele concept van eigendomsrecht met betrekking tot immateriële goederen in beweging. Wie is bijvoorbeeld de eigenaar van je persoonsgegevens? Als je dat zelf bent, welk recht heeft de overheid dan om die gegevens te beheren en op te slaan? En wat als bedrijven de data commercieel gaan exploiteren die jij belangeloos online hebt gezet?

De moreel verontwaardigden bleken niet voor dit soort overwegingen te porren. De briefschrijver, die al een paar jaar lang actief is in Nederland, dook onlangs op in Amerika, waar een schrijver van science fiction hem meteen maar betichtte van sexual abuse. En een auteur die zichzelf omschreef als „de cowboy professor” kreeg ook een brief; kennelijk voelde hij zich niet zelf door het voorstel beledigd, „maar ik deel de woede van vrouwen”.

Wereldwijd zie je overheden worstelen met de vraag hoe je intellectuele eigendomsrechten netjes regelt, hoe je piraterij tegengaat en de persoonlijke levenssfeer beschermt in het digitale tijdperk. Helaas kunnen ze daarbij niet op veel bijval rekenen, want van twee kanten komt fel verzet tegen het maken van civielrechtelijke regels. Naast de strafrechtelijk geïnteresseerden, die het liefst alles zouden verbieden, zijn er de idealisten die juist denken dat het met de wereld vanzelf goed komt als alles mag.

Daardoor wordt het moeilijk onderling nuchtere afspraken te maken over hergebruik, exploitatie en vergoeding. De idealisten – die in feite een soort publiekrechtelijke partizanen zijn – gaan hevig tekeer tegen regelingen over intellectueel eigendom. Die zouden maar inbreuk maken op ‘de vrijheid van het internet’ en zelfs op de vrijheid van het Westen. Maar ze winden zich ten onrechte op. Civiele afspraken maken geen inbreuk op onze vrijheid als ze proberen te voorkomen dat alles gratis is. De inhoud van het internet is, zoals de Amerikanen zeggen, free as in speech, not free as in beer.

Intussen gingen de strafrechtelijk geïnteresseerden door met hun jacht op de arme briefschrijver. Een paar jaar geleden had een van hen de man achterhaald – „via Google Maps kun jij zijn armetierige seniorenflatje opzoeken” – en contact gezocht met een roddelzuchtige buurman. Het telefoonnummer van die buurman stond nu online. „Bel hem gerust.”

Geschrokken van zo veel opwinding en verontwaardiging zoek ik deze week de stilte op van mijn Compendium Eigendomsrecht. Ik raad het verhitte personage in mijn hoofd aan hetzelfde te doen.