Sorry for Nigeria

In een van Ben Okri’s boeken komt het volgende verhaal voor over de hopeloosheid in Nigeria. Een hoogopgeleide jonge Nigeriaan wordt op een dag ontslagen uit zijn prestigieuze baan. Ontredderd dwaalt hij door Lagos. Hij gaat een peperduur restaurant binnen. Het is er heerlijk koel en smetteloos schoon. Hij wordt hautain bejegend door de ober, die duidelijk welgestelder klandizie gewend is. Aangeslagen bestelt de jonge Nigeriaan een lunch ter waarde van de helft van zijn salaris. Waarom? Omdat het de de laatste keer is dat hij het zich kan veroorloven. Iets wat hij goed voelt zodra hij weer het stoffige Lagos buiten betreedt – ook hij is nu arm en zonder vast inkomen.

Vervolgens koopt hij een brood. Want er staat een bezoek gepland bij zijn broer en diens gezin in het dorp. De gezinsleden snellen hem tegemoet als blije honden. Ze ruiken naar mottenballen. Ze hebben hun mooiste pakken aangetrokken voor het ‘hoogstaande’ bezoek uit de stad. Het pak van zijn broer is oud en knelt aan alle kanten. De arme, uitgedoste familie neemt het brood gretig aan als een kostbaar kleinood. De jonge Nigeriaan kijkt hopeloos toe, omdat hij zijn eigen lot ziet.

Hopeloosheid bestaat volop in Nigeria. Maar ook hoop, is mijn ervaring. Niet in de overheid of de medemens, maar in God. De helft van de bevolking is moslim, de andere helft christen en elke Nigeriaan die ik ooit heb ontmoet is diep religieus.

Neem de huishoudster die ik kreeg toen ik in 2000 in Lagos werkte voor de Verenigde Naties. Ze heette Grace, een populaire christelijke naam. Grace gaf een flink deel van haar inkomen aan haar arme ouders, een ander deel schonk ze aan haar kerk, die ze zondags trouw bezocht. In Nigeria barst het van de televisieprogramma’s waarin trendy predikanten in een Amerikaans aandoende sfeer preken en om donaties vragen. Grace was weg van Amerika. Ze zag de Verenigde Staten als een land van succesvolle christenen, als baken van hoop. Het staatsbezoek van president Clinton aan Nigeria in het jaar 2000 werd door vele Nigerianen gezien als een teken van ‘heilige hoop’.

Kijkend naar de recente clashes tussen moslims en christenen in Nigeria weet ik één ding zeker. De Nigeriaan zal zich niet snel bekeren tot de islam, zoals het islamistisch militante Boko Haram eist. Het wereldwijde succes van het christendom inspireert hen meer. Als de moslimlanden zich mengen in de strijd om olierijk Nigeria, verwacht ik een burgeroorlog tussen christenen en moslims. Daarom ben ik, om het met de Nigeriaanse zanger Femi Kuti te zeggen ‘sorry for Nigeria!’