Polderen in de woestijn - SER als wereldvoorbeeld

Is het einde van het geroemde poldermodel nabij? Dit is allerminst het geval. Vele landen komen nog altijd hier kijken hoe de SER werkt, zegt Alexander Rinnooy Kan.

Het was even wennen in Oman. De nationale vakcentrale bestond inmiddels twee jaar. De werkgevers ontmoetten elkaar al wel langer bij de Kamer van Koophandel en hadden ongetwijfeld regelmatig contact met ministers en hoge ambtenaren. Maar een bijeenkomst waaraan door alle drie deze partijen werd deelgenomen, oogde hoogst uitzonderlijk. Het was voor dat publiek dat een Nederlandse polderdelegatie, in het verlengde van het recente staatsbezoek, uitgebreid kon ingaan op de verworvenheden van de Nederlandse overlegeconomie. De achtergrond: het voornemen van de drie partijen om de mogelijke totstandkoming van een Omaanse variant op dat model gedetailleerd met elkaar te verkennen.

Dergelijke discussies zijn niet nieuw. Met grote regelmaat komen buitenlandse delegaties naar Den Haag om zich te verdiepen in de Nederlandse overlegcultuur: uit Afrika, uit Latijns-Amerika, uit Azië. Delegaties uit Zuid-Korea, waar de arbeidsverhoudingen uitzonderlijk grimmig zijn, melden zich met grote regelmaat aan de Bezuidenhoutseweg, bij de Sociaal-Economische Raad (SER), voor een spoedcursus polderen. De laatste jaren sluiten de nieuwe Balkanlanden zich steeds vaker aan in deze rij. De belangstelling uit het Midden-Oosten was, met uitzondering van Jordanië en Israël, tot dusver beperkt. In de naweeën van de Arabische Lente komt nu ook daar verandering in.

Ruim zestig landen ter wereld beschikken inmiddels over zoiets als een SER. Nederland heeft een van de oudste raden, en is inmiddels op vele plekken geïmiteerd, maar nergens exact gekopieerd. Elk land vindt zijn eigen variant uit: een eigen samenstelling en werkwijze, een eigen relatie met de nationale overheid, een eigen inhoudelijke agenda. Frankrijk, een van de oudste voorbeelden, zag zijn raad vanaf 1958 uitgroeien tot een bont gezelschap met 231 leden, meer gericht op de inventarisatie van meningen dan op het uitbrengen van unanieme adviezen. Brazilië, als een van de recente toetreders, creëerde een grote raad met een fors ondersteunend apparaat en de president als vaste voorzitter. Veel variatie, maar altijd als harde kern vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers, die belang hebben bij een goed functionerende nationale arbeidsmarkt, met alles wat daarbij hoort. Met de overheid op kleine of grotere afstand als belangstellende betrokkene.

Aan de belangstelling van Oman voor de Nederlandse ervaringen ging een klein vergelijkend warenonderzoek door de Omaniërs vooraf, waar ons land goed uitkwam. Er is bewust gekozen voor Nederland. Wat Nederland sociaal-economisch zo bijzonder maakt, is de combinatie van een hoog niveau van sociale cohesie met een sterke economische concurrentiepositie. Recent onderzoek van Andre Sapir, een vooraanstaand econoom verbonden aan de Brusselse think tank Bruegel, bevestigt de uitzonderlijkheid van die combinatie: met Nederland demonstreerden maar een paar Europese landen (Duitsland, Oostenrijk) een vergelijkbaar sterke mix, met een in het afgelopen decennium toenemende concurrentievoorsprong op de rest van het continent. Anders dan een paar jaar geleden weleens gevreesd werd, zijn de typische overlegeconomieën heel goed in staat om succesvol te concurreren met hun Angelsaksische, aandeelhoudergedreven rivalen. Een relatief grote publieke sector en een relatief egalitaire cultuur belemmeren hen niet om de bovenste plaatsen in te nemen in de Global Competitiveness Index.

Een overlegcultuur is een rijke traditie, maar geen rustig bezit. Ook de Nederlandse polder heeft vele onrustige momenten meegemaakt. In de jaren zeventig heeft de FNV gedurende een aantal jaren alle medewerking aan het centrale overleg opgeschort; het Akkoord van Wassenaar, inmiddels wereldwijd vermaard, was nodig om de succesvolle hervormingen van de jaren tachtig op gang te brengen. Achterbannen van zowel werkgevers als werknemers hebben er door de jaren heen met grote regelmaat aan getwijfeld of hun kortetermijneigenbelang zich wel verdroeg met het offer dat werd verlangd door een gezamenlijk perspectief. Uiteindelijk is het offer altijd gebracht en, getuige het onderzoek van Sapir, royaal beloond.

Opnieuw is het onrustig in Nederland. Werkgevers doen bij voorkeur zaken met de bonden, maar nu de vakbeweging zich herbezint op werkwijze en organisatievorm is het niet verrassend dat zij zich vaker direct tot het kabinet wendt. Met de gebruikelijke gretigheid signaleren vermeende deskundigen het naderend einde van het poldermodel. Natuurlijk, geen enkel instituut wordt het eeuwige leven gegund. Maar de logica van de overlegeconomie is tot dusver behoorlijk toekomstbestendig gebleken, en in zijn kern ook niet ingewikkeld. Zolang werkgevers en werknemers bereid zijn met unanieme aanbevelingen te komen, zijn die door geen enkel kabinet te negeren – daarvoor is het georganiseerde bedrijfsleven een te groot deel van onze economie. En zolang de unanieme aanbevelingen serieus genomen worden, is er alle reden voor werkgevers en werknemers zich daarvoor in te willen spannen – want in verdeeldheid is hun invloed hoe dan ook geringer.

Dat betekent niet dat er niets hoeft te veranderen aan de overlegpraktijk. Integendeel. Alleen al bij de overlegagenda is dat al veel vaker gebeurd: zo is het nu zo dominante thema van de duurzaamheid een betrekkelijk recente toevoeging. Natuurlijk, een hervormde vakbeweging kan straks andere gesprekspartners opleveren dan de huidige. Maar het enige wat echt telt voor de toekomst van het Nederlandse model is de blijvende gezamenlijke bereidheid van werkgevers en werknemers zich medeverantwoordelijk te voelen voor de toekomst van het land, door bovenstaande logica daartoe uitgedaagd. Die bereidheid spreekt niet vanzelf. Maar het is wel een hoofdzaak.

De oprechte belangstelling van de Koreanen, de Bosniërs, de Omaniërs voor de Nederlandse overlegtradities illustreert dat onze continuïteit van de afgelopen zestig jaar voor hen juist de grote veranderingsopgave is. Anders dan in Nederland wel wordt beweerd, is de overlegeconomie helemaal niet een achterhaald, ouderwets concept. Het is, integendeel, een onverminderd hoogst modern idee om passend georganiseerde burgers een passende betrokkenheid bij beleid te gunnen. Geen enkele staat kan goed functioneren zonder dat de inwoners ervan de kans geboden wordt zich royaal te bemoeien met de inrichting van nationaal beleid dat uiteindelijk in een gekozen parlement wordt vastgesteld: een moderne democratie kan niet zonder draagvlak. Als de vakbeweging niet bestond, zou zij met spoed moeten worden uitgevonden en haar plek op nationaal niveau moeten opeisen.

Aan het einde van een lezing over maatschappelijk verantwoord ondernemen kwam een Omaanse werkgever een vraag stellen: „Werknemers betrekken bij je onderneming, hoe begin je daar nou mee?” Het antwoord is voor ons al zo vanzelfsprekend: we doen het gewoon.

Laten we onze vroege modernisering vooral koesteren. En laten we, in voortdurende aanpassing van onze overlegeconomie aan wat de tijd vraagt, proberen een inspirerend voorbeeld voor andere landen te blijven in de instandhouding van een open, op feitelijke analyses gebaseerde dialoog, die bijdraagt aan verstandige verandering en vooruitgang.

Alexander Rinnooy Kan is voorzitter van de Sociaal-Economische Raad.