Onhandige Belgen en eigenwijze calvinisten

Duco Hellema, Rik Coalsaet, Bart Stol: Nederland-België. De Belgisch-Nederlandse betrekkingen vanaf 1940. Boom, 367 blz. €24,90

De Belgische premier Elio Di Rupo kwam in Den Haag kennismaken met zijn Nederlandse collega Mark Rutte, maar wilde eerst nog zijn jasje aantrekken. Hij raakte erin verstrikt, Rutte kwam snel op hem af om te helpen – met een grote glimlach. Het is een beeld waar Belgische diplomaten zich een beetje voor zullen schamen. Ze vinden dat hun land internationaal vaker een onhandige indruk maakt en dat Nederlandse collega’s veel zelfverzekerder zijn (maar daardoor niet altijd effectiever).

Er is weinig nieuws aan beelden die ‘arrogante’ Nederlanders of ‘Belgen-met-een-minderwaardigheidscomplex’ van elkaar hebben. Het is een opluchting als er dan een boek verschijnt waarin hun diplomatieke omgang als buurlanden heel feitelijk wordt beschreven door vijftien wetenschappers uit beide landen, zoals in Nederland-België. De Belgisch-Nederlandse betrekkingen vanaf 1940. Het is een geschiedenis van samenwerking, zoals in de Benelux sinds 1944, maar ook van argwaan en onbegrip.

De Nederlandse regering in ballingschap in Londen, schrijft de Nijmeegse historicus Jan Willem Brouwer, voelde zich belangrijker dan de andere regeringen in ballingschap „door het bezit van Nederlands-Indië en de West, een grote koopvaardijvloot en een aanzienlijke financiële macht”. De Nederlanders in Londen hadden daardoor weinig zin om zich in te laten met bijvoorbeeld de Belgen. De positie van de Belgische regering in ballingschap was ingewikkeld: eerst was er ruzie geweest tussen de ministers en koning Leopold III die zich wilde overgeven aan de Duitsers, en daarna ook tussen de ministers onderling. Er waren er maar vier naar Londen gegaan.

Het initiatief om de twee landen te laten samenwerken, als voorbereiding op een naoorlogs Europa, kwam van de Belgen. Nederlandse diplomaten hadden eerst nog twijfels: het imago van het zwakke België zou afstralen op Nederland. Aan Belgische kant, zegt Brouwer „werden de afwijzende reacties vooral verklaard door de Hollandse eigenwijsheid”.

België en Nederland hadden daarnaast een andere kijk op de wereld, die nog lang zou doorwerken in hun betrekkingen: de Belgen waren uit op Europese samenwerking, Nederland verwachtte vooral veel van de VS.

Mooie hoofdstukken gaan over de jaren zeventig – de oliecrisis en Nederland dat, als vriend van Israël, België te pro-Arabisch vond – en over ontwikkelingssamenwerking. Precies wordt nagegaan hoe het komt dat Nederlanders nog steeds zo veel meer aan goede doelen geven dan de Belgen en waarom Nederlandse politici mensenrechten belangrijker vonden dan hun Belgische collega’s: door een andere betrokkenheid bij de vroegere kolonies, maar ook door „het calvinistische geloof met zijn neiging het wereldgebeuren in termen van zwart en wit en hemels en verderfelijk te analyseren.”