'Nog nooit reden er zoveel treinen op tijd als in 2011'

Freek Schravesande

De aanleiding

In haar nieuwjaarstoespraak zei ProRail-directeur Marion Gout-Van Sinderen begin deze maand dat er nog nooit zoveel treinen op tijd reden als in 2011. 94,7 procent van de treinen kwam aan met minder dan vijf minuten vertraging. In 2010 was dat nog 92,5 procent. De hoge punctualiteit komt volgens ProRail door het uitblijven van een zware herfst en winter.

Interpretaties

Een trein kan pas te laat komen als er ook een dienstregeling is. Dat kan sinds 1839, toen in het eerste spoorboekje de treintijden stonden van de enige trein in Nederland: die tussen Amsterdam en Haarlem. Het is best mogelijk dat die trein altijd op tijd was. Maar omdat hij slechts vier keer per dag reed zal die de bewering dat nog nooit zoveel treinen op tijd reden, niet omverwerpen.

En wat is op tijd? Tot 2010 was een trein op tijd als hij minder dan drie minuten te laat aankwam op de bestemming. De NS heeft de norm verschoven naar vijf minuten, omdat andere landen die norm ook hanteren. Alleen Zwitserland heeft de lat juist hoger gelegd en hanteert sinds kort de norm van drie minuten in plaats van vijf.

De gekozen norm maakt veel uit. Stel dat je alle vertragingen in een grafiek zou uitzetten. De piek van vertraagde treinen vind je rond de 2, 3, 4, 5 minuten. Zes minuten vertraagd zijn al veel minder treinen, 20 minuten nog veel minder. Door de norm te verruimen van drie naar vijf kun je dus een heel groot deel van de vertraagde treinen plots ‘op tijd’ noemen.

Was het dus een truc die de punctualiteit zo opschroefde? Om dat te beoordelen kijken we ook naar het percentage treinen dat in 2011 voldeed aan de drieminutennorm.

Hoe is er gemeten?

Er zijn 35 ‘knooppunten’ in Nederland waar de aankomst van een NS-trein wordt gemeten. Die knooppunten liggen vlakbij grotere stations zoals Utrecht Centraal, Rotterdam Centraal, Heerlen, Groningen. Het meten doet een sensor aan het spoor die automatisch het treinnummer doorgeeft aan de verkeersleiding en de gegevens naar een database stuurt. De sensor ligt niet op het perron maar tot op twee kilometer ervandaan. Volgens deskundigen heeft dat geen grote invloed op de betrouwbaarheid van het cijfer.

ProRail baseert het punctualiteitscijfer behalve op de 35 knooppunten ook op dertien meetpunten op lijnen van de Hoge Snelheids Lijn en de regionale vervoerders Veolia, Syntus, Arriva en Connection. Dat niet de aankomst bij alle stations wordt gemeten maakt het cijfer natuurlijk minder sterk. Zo zou een trein die dagelijks een uur te laat in Lelystad arriveert nooit worden opgemerkt. Toch wordt in andere landen vaak nog minder precies gemeten.

De manier waarop de NS dat in Nederland doet, via knooppunten, gebeurt pas sinds 1999. Vóór die tijd gebeurde het handmatig door perronmedewerkers op de grotere stations. De aankomst bijhouden was voor die ‘servicemedewerkers’ een van hun vele taken. Bij de betrouwbaarheid van de cijfers van voor 2000 kun je dus gerust grote vraagtekens zetten.

En, klopt het?

Er zijn manieren om de punctualiteit te beïnvloeden, zoals de drieminutennorm vervangen door de vijfminutennorm. Daarom kijken we toch even naar het percentage treinen dat in 2011 maximaal drie minuten te laat kwam. Dat was 89,8 procent. Het cijfer is weliswaar veel lager dan bij de vijfminutennorm (94,7 procent), maar het is nog altijd hoger dan in recordjaar 2007 toen ‘slechts’ 87 procent van de treinen minder dan drie minuten vertraagd was. Andere jaren lag dit percentage nog lager.

Ook kan de NS sinds kort bij extreme weersverwachtingen terugvallen op een nooddienstregeling. Dan schrappen ze bijvoorbeeld een dag voordat ernstige sneeuwval wordt verwacht alle intercity’s. Waar die voorheen het stiptheidscijfer aardig naar beneden konden halen, tellen ze nu niet meer mee in de cijfers.

Verder kun je het cijfer positief beïnvloeden door ernstig vertraagde treinen te laten uitvallen. Stel: de trein die elk half uur van Den Haag naar Eindhoven rijdt, vertrekt veel te laat. Met 20 minuten vertraging in Delft en 25 minuten in Rotterdam zegt de machinist tegen de passagiers: deze trein kan niet verder. Over 5 minuten kunt u de volgende trein naar Eindhoven nemen. Deze trein telt niet mee in de cijfers. Dit gebeurt, maar onduidelijk is hoe vaak.

Toch heeft spoorbeheerder ProRail, die de uitspraak over punctualiteit heeft gedaan, er weinig belang bij het stiptheidscijfer mooier voor te stellen dan het is. Het is de NS en niet ProRail die met de overheid afspraken heeft gemaakt over hoeveel treinen te laat mogen zijn. Als spoorbeheerder wordt ProRail wel afgerekend op beschikbaarheid van het spoor, dus op wissel- en seinstoringen, maar niet op punctualiteit.

Conclusie

De NS heeft de norm voor ‘te laat’ versoepeld van 3 naar 5 minuten. Rekenen we deze versoepeling niet mee, dan zou niet 94,7 maar 89,8 procent van de treinen op tijd hebben gereden. Omdat ook dat nog altijd een hoger percentage is dan het recordjaar 2007 – toen 87 procent van de treinen op tijd reed – beoordelen wij de bewering ‘er reden nog nooit eerder zoveel treinen op tijd als in 2011’ als waar.