Een Duits Europa omdat het moet

Het Duitsland van Merkel heeft geen last meer van historische beschroomdheid. Europa moet maar wennen aan het leiderschap van het sterkste land.

Joost van der Vaart, Berlijn

Scène in het Kanzleramt in Berlijn. President Nicolas Sarkozy is op bezoek bij bondskanselier Angela Merkel ter voorbereiding van een nieuwe topontmoeting van de Europese politieke leiders, vandaag in Brussel. Op een persconferentie in de hal worden de meeste vragen aan Merkel gesteld. Sarkozy kijkt steeds naar haar, ook als hij zelf het woord neemt. Alsof hij hulp zoekt bij de kanselier, die steeds een beetje verveeld wegkijkt.

Bijna twee jaar duurt de schuldencrisis nu. En bijna twee jaar staat Duitsland als grootste en economisch sterkste land van de Europese Unie centraal in de bestrijding ervan.

Zelden, misschien nooit eerder na de Tweede Wereldoorlog, was het Duitse politieke leiderschap in Europa zo sterk als nu. En Merkel belichaamt dit leiderschap. Ze doet dat terughoudend, maar haar zelfbewustzijn is onmiskenbaar gegroeid. Dat zegt haar lichaamstaal als ze daar naast Sarkozy staat.

Deze nieuwe en opvallende rol voor Duitsland roept weerstand op in binnen- en buitenland. Oud-kanselier Helmut Schmidt, een man die de oorlog nog heeft meegemaakt en als Wehrmachtofficier frontdienst verrichtte, laat geen gelegenheid voorbij gaan om erop te wijzen dat Duitsland door zijn naziverleden geen aanspraak mag maken op politiek leiderschap in Europa. Maar naar Schmidt lijkt niemand in de Duitse regering te luisteren. Merkel en veel van haar adviseurs zijn ruim na de oorlog geboren. Ze huldigen een andere opvatting: Duitsland betaalt én bepaalt.

In Berlijn worden tegenwoordig „koele berekeningen” over Europa gemaakt. „Duitsland kijkt met onromantische nuchterheid naar de toekomst van de Europese Unie”, luidt de conclusie van een onlangs verschenen studie van de internationale denktank European Council on Foreign Relations in Berlijn.

Het werpt de vraag op wat die nuchterheid van Duitsland voor Europa betekent. De schrijver Thomas Mann zei in 1953 in zijn Rede an die deutsche Jugend: „Wat we willen is niet een Duits Europa; wat we willen is een Europees Duitsland.” In een eerdere briefwisseling schreef hij: „Men zal het [Europese] continent aan Duitsland toevertrouwen. Maar of een Duits Europa ook een Europees Duitsland betekent? Ik twijfel. Het zal weer op macht uitlopen, en ik gruw van Duitse macht.”

In Bonn, het provinciestadje dat dienst deed als hoofdstad van West-Duitsland, leefde sterk het besef dat de Duitsers met hun verleden zich politiek op de achtergrond dienden te houden. Duitsland steunde de kleinere lidstaten, verschafte de Europese Commissie en het Europees Parlement legitimiteit en betaalde zonder morren de Europese rekeningen.

Meer dan veertig jaar stond de naoorlogse buitenlandse politiek van de Bondsrepubliek in het teken van Europese verzoening en integratie. De Franse auteur en diplomaat Paul Claudel schreef in 1945 dat Duitsland nooit meer als een Europese splijtzwam mag werken, maar daarentegen de volkeren om zich heen moet verzamelen. „Het is zijn rol om voor overeenstemming te zorgen; om alle staten die het land omringen, te laten merken dat ze niet zonder elkaar kunnen bestaan.” Naar dat adagium hebben politici als Helmut Schmidt, Helmut Kohl en de lang dienende minister van Buitenlandse Zaken Hans-Dietrich Genscher steeds gehandeld.

De verandering in het Duitse zelfbewustzijn begon in de jaren na de val van de Muur en de Duitse hereniging. Bondskanselier Kohl liet zich niet tegenhouden door de Franse president Mitterrand of bedenkingen van andere Europese landen dat een herenigd Duitsland te groot en te machtig zou worden. Onder de sociaal-democratische bondskanselier Gerhard Schröder werd Duitsland nog assertiever. Het begon zich zelfs na decennialange afzijdigheid militair weer te roeren, met vredesmissies in het buitenland – nog heel voorzichtig en pas na lange debatten in de Bondsdag.

In de schuldencrisis is Merkel overgestapt van een communautaire (gemeenschappelijke) naar een intergouvernementele politiek, waarbij nationale regeringen de dienst uitmaken in de Europese Unie. Met de Duitse regering voorop. Een aanpak van de schuldencrisis tegen de zin van Berlijn is onmogelijk.

Lotsverbondenheid

De Duitse filosoof Jürgen Habermas, geen fan van de nieuwe Duitse Europapolitiek, heeft het in zijn net verschenen essaybundel Zur Verfassung Europas over „de herontdekking van de Duitse nationale staat” en het zijns inziens gevaarlijke zelfbewustzijn dat daarmee gepaard gaat. Het onverholen leiderschap als „nieuwe Duitse normaliteit” kan volgens hem gemakkelijk tot een Europa leiden dat te sterk door Duitsland wordt gedomineerd.

Habermas verwijt Merkel onduidelijkheid over haar Europese doelstellingen. Waartoe leidt haar crisismanagement? Wat is het grote doel van Merkels „kille belangenpolitiek”? Waarom is de bondskanselier niet bereid binnenlandse politieke risico’s voor Europa aan te gaan, vraagt hij zich in zijn essaybundel af.

Merkel is zich bewust van de lotsverbondenheid tussen Duitsland en Europa, getuige uitlatingen in de Bondsdag als „met Duitsland kan het op den duur niet goed gaan, als het met Europa slecht gaat”. Ze neemt de zorgen over een dominant Duitsland serieus, zegt ze, al noemt ze die „ongefundeerd”.

Zij en haar Europese topambtenaren Jörg Asmussen, bestuurslid van de Europese Centrale Bank, Nikolaus Meyer-Landrut, chef-diplomaat voor de Duitse Europapolitiek, en Jens Weidmann, president van de Bundesbank, horen tot een nieuwe generatie overheidsdienaren. Bevrijd van de schuld van hun ouders en grootouders, de generaties van de Tweede Wereldoorlog. Niet gehinderd door historisch opgedrongen bescheidenheid vechten ze voor het Duitse belang. Zij zijn de architecten van een Duits Europa in wording. Met haar ambtenaren is Merkel van mening dat Europa een waardengemeenschap is die in naam weliswaar de historische doelen vrede en veiligheid dient, maar die in de schuldencrisis alleen om geld draait – vooral Duits geld. „Het Duitse financiële belang gaat soms voor het belang van Europese integratie. Dat hebben de landen van de eurozone van ons te accepteren. Wij maken de dienst uit in Europa”, zei een hoge Duitse ambtenaar tegen mij.

Dit nieuwe zelfbewustzijn van Duitsland is treffend verwoord door het christen-democratische Bondsdaglid Volker Kauder, een vertrouweling van Merkel. Hij zei onlangs op een partijcongres van de CDU, sprekend over de aanpak van de schuldencrisis: „Opeens wordt in Europa Duits gesproken.” Die „Duitse hoogmoed” werd niet gewaardeerd. De kritiek was vernietigend, ook in Duitsland. Oud-kanselier Helmut Schmidt noemde het „Duits-nationalistische krachtpatserij”. Schmidt, die als het geweten van de natie fungeert, kreeg veel bijval. In een interview legde Kauder later uit wat hij had bedoeld. „Veel Europese landen zien in Duitsland een voorbeeld.”

De voortrekkersrol van de Duitse politiek in de schuldencrisis valt ook buiten Europa op. Tony Corn, een Amerikaans diplomaat en kenner van Duitsland, schreef in een bijtend opinieartikel in de Frankfurter Allgemeine, getiteld Neue deutsche Illusionen, dat de Duitse politieke en ambtelijke elite anno 2012 „op de verkeerde weg” is. Merkel en haar adviseurs willen volgens Corn een federaal, door Berlijn geleid Europa afdwingen; „een moderne variant van het Duitse keizerrijk”. Deze „waandenkbeelden van de Duitsers” worden door overige Europeanen terecht met argwaan bejegend, aldus Corn. Aan de wortel van de nieuwe Duitse ambities ligt een oude kwaal: „Duitsland is te groot voor Europa en te klein voor de wereld”.

Sleeptouw

Is het zo erg? Wil Duitsland met inzet van al zijn politieke en economische kracht een nieuw keizerrijk afdwingen? Moet Europa zich zorgen maken over een herboren Duits streven naar overheersing?

Merkel neemt de Duitsers niet op sleeptouw, zoals haar politieke peetvader Helmut Kohl wel deed. Hij plaatste de eenwording van Duitsland in het perspectief van de Europese integratie. Zijn doel als bondskanselier was een herenigd Duitsland ingebed in een verenigd Europa. Kort gezegd: een Europees Duitsland. Merkel lijkt het omgekeerde te beogen: een Duits Europa.

Maar er is tegelijk geen land in de wereld dat zozeer van zijn catastrofale verleden probeert te leren als Duitsland. Daar is zelfs een Duits woord voor: Vergangenheitsbewältigung. Al op jeugdige leeftijd worden de Duitsers hiermee uitputtend geconfronteerd. De Oost-Duitse gymnasiast Jacob Schrot vertelde mij eens dat hij te veel wist over het nazisme en te weinig over het DDR-verleden. De verwerking van dit deel van de geschiedenis is nog maar net op gang gekomen. Maar ook dat gaan de Duitsers niet uit de weg. Door erover te praten proberen ze de spoken uit hun verleden te bezweren. Het heeft nog een andere functie: het laat de wereld zien dat niemand bang hoeft te zijn voor een democratisch Duitsland.

Vorige week vertelde de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Guido Westerwelle in een lezing in Washington hoe hij als jonge backpacker een Franse bakkersvrouw tot tranen bracht door een broodje te bestellen – haar man bleek in de oorlog omgekomen. Westerwelle vertelde in een adem dat het oplossen van de crisis in Europa voor Duitsland niet alleen een praktische, maar ook een „historische opdracht” is. Het gehoor was onder de indruk, meldden aanwezige media.

Uit gesprekken met adviseurs van Merkel, zoals de topambtenaren Asmussen en co., rijst niet het beeld op dat Duitsland uit is op Europese suprematie. Eerder het besef dat het land door zijn fysieke en economische omvang en zijn centrale ligging in Europa bijna niet anders kan dan de leiding in de schuldencrisis nemen. En juist Berlijn, zo valt te beluisteren, heeft de plicht zich streng op te stellen, zeker na de eclatante Duits-Franse schending van het Stabiliteitspact tien jaar geleden. Duitsland mag als stabiliteitsanker van Europa niet weer verzaken. Als de Duitse geloofwaardigheid is aangetast, is het met de euro gedaan.