Doormodderen met 3.000 voetbalhooligans

Schiet de zogeheten voetbalwet tekort, wordt de wet onvoldoende benut of werken clubs en overheden niet genoeg samen? Het antwoord op deze vragen, helaas, is driemaal ja. Vorige week werd in de Tweede Kamer duidelijk dat de falende aanpak van voetbalhooliganisme niet met een aanscherping van de wet alleen is te repareren. Natuurlijk is het huidige wettelijke maximum voor een stadionverbod van drie maanden als sanctie verwaarloosbaar gebleken. Zeker als het verbod in de zomer of in een winterstop valt. Suggesties om er een jaar of langer van te maken, liggen dus voor de hand. Dat een stadionverbod landelijk moet gelden en niet alleen plaatselijk, lijkt ook een kwestie van gezond verstand.

Voor dergelijke gebreken is al jaren terug door de Amsterdamse hoogleraar staats- en bestuursrecht Jon Schilder gewaarschuwd.

De voetbalwet is van oorsprong een algemene overlastwet, bedoeld om notoire zwervers en drugsverslaafden uit bepaalde gebieden weg te kunnen houden. De ‘voetbalwet’ is daarna nog opgetuigd met een pseudo-avondklok voor straatkinderen onder de twaalf. Ten slotte schoof het vorige kabinet er ook nog de voetbalvandalen onder, die in de eigen gemeente herhaaldelijk overlast gaven.

Precies zoals voorspeld werkt dat niet bij uitwedstrijden in andere gemeenten. Burgemeesters moeten dan over de gemeentegrenzen met elkaar een collectief vormen en elkaars hooligans gebiedsverboden en meldplichten geven. Dat blijkt in bestuurlijk versnipperd Nederland te veel gevraagd.

Ook blijken burgemeesters vaak de eisen te negeren die de wet stelt aan de kwaliteit van de meldplichten en stadionverboden. Ongeveer de helft van die maatregelen wordt nu door de bestuursrechter geschorst. De eisen aan de motivering en de feitelijke onderbouwing van dergelijke zware maatregelen zijn inderdaad lastig, maar ook nodig. De 3.000 hooligans onder de 6 miljoen stadionbezoekers hebben gelijke burgerrechten. Een rechtsstaat gaat ook met hun rechten zorgvuldig om.

Sommige Kamerleden leken dat te vergeten toen ze suggesties van de KNVB omarmden om álle in een groep aanwezige supporters strafbaar te stellen voor de daden van enkelen. ‘Sta je erbij, dan ben je erbij’, luidt de samenvatting. Naast voorbereiding, samenspanning, medeplichtigheid, gelegenheid geven en mededaderschap komt er dan zoiets als ‘strafbare aanwezigheid’ bij. De KNVB vulde dat in met ‘niet weglopen’, en ‘je bewust zijn’ van wat ‘er aan de hand is’. Dat stelt de voetbalbezoeker natuurlijk voor onmogelijke opgaven. Wanneer slaat nieuwsgierigheid om in schuldig bewustzijn? Wanneer vormen je omstanders een strafbare groep? Te hopen valt dat de Kamer hier tijdig halt houdt.