Compromisloze Pollini ontroert

Maurizio Pollini (piano). Recital met Beethoven en Chopin. 29/ 1 Concertgebouw A’dam. Feestcd-box ‘The Art of Pollini’ verscheen bij DG ****

Piano-impresario Riaskoff viert in maart zijn 25-jarig jubileum met een speciaal feestconcert. Maar de ‘gewone’ recitals in zijn serie Meesterpianisten bieden dit voorjaar ook al een imponerend onalledaagse line up van pianisten, onder wie Kissin, Lupu, Volodos, Zimerman en Perahia.

Een feestgevoel was gisteravond ook onontkoombaar tijdens het recital waarmee pianist Maurizo Pollini (70) in de serie zijn verjaardag vierde. De Grote Zaal zit vaak vol, maar vrijwel nooit zijn ook echt alle stoelen gevuld. Oorzaak: Pollini heeft een historie van onvergetelijke Amsterdamse recitals. En dat van gisteren kan aan die lijst worden toegevoegd.

Zijn concert begon met Beethoven, die onder Pollini’s vingers altijd strenger én poëtischer klinkt dan doorgaans. Dat ligt vooral aan de compromisloosheid waarmee het muzikale betoog voorrang krijgt boven ‘menselijke’ overwegingen als de haalbaarheid van een tempo. En de hypergeconcentreerde Pollini draagt er fysiek ook aan bij door schor mee te neuriën met hoofdmotieven en bij woeste fortissimo-erupties even geheel los te komen van zijn kruk.

De overgang naar Chopin bleek organischer dan verwacht. Typisch Pollini zijn de strenge intensiteit, de architectenneus. Maar er zijn ook maar weinig pianisten die zo ontroerend en logisch tederheid kunnen laten opbloeien uit agressie, en vice versa.

Dat trof in Beethovens Sonate nr. 27, maar frappeerde ook in de reeks opsmuksloze uitvoeringen van Chopin. Wie in Chopin graag schwärmerisch smachten hoort, zat verkeerd. Pollini hield zijn Chopin schoon. En dan blijkt, natuurlijk, dat schoonheid juist harder raakt wanneer zij niet voortkomt uit oeverloze rubati, maar uit timbrewisselingen die Chopins stemmingen subtiel als een wolkenlucht deden verkleuren, veranderen.

Het meesterlijk uitgespeelde contrast tussen dichterlijke weemoed en fel revolutionair élan werd voortgezet in drie Chopin-toegiften (op. 10 nr. 12; op. 27 nr. 2;op. 39 nr.3).