Boltanski's 'hand van God' is grauw

Chance | Christian Boltanski. T/m 26 febr. Nederlands Fotomuseum, Wilhelminakade 332, Rotterdam. www.nederlandsfotomuseum.nl **

Soms slaat het lot toe als een mokerslag. Dan ramt de ene auto de andere, ontploft er een bom op een drukke markt, ontmoeten een man en een vrouw elkaar in de rij bij de telefoonwinkel en worden geliefden. Tien seconden eerder of later en het leven had er anders uitgezien.

Toeval kun je dat lot ook noemen, maar niet als je Christian Boltanski heet, de kunstenaar die in 1944 in Parijs werd geboren en opgroeide in een half-joods gezin. Boltanski werd groot in de wetenschap dat hele generaties voor hem waren weggevaagd omdat ze noodlottig genoeg joods waren. Dat heeft Boltanski doen inzien hoe fragiel het bestaan is en dat de mens altijd de dood in zich meedraagt – als herinnering, als afscheid, als kind dat volwassen is geworden.

Met de boekstaving van veelal anonieme herinneringen en memorabilia brak Boltanski in 1972 internationaal door op de Documenta van de legendarische Zwitserse tentoonstellingsmaker Harald Szeemann. Grote installaties met stapels boeken, hopen kleren, zwart-witfoto’s van onbekenden, vaak aangelicht door kaarsen of kleine lampjes werden Boltanski’s handelsmerk.

Dat handelsmerk is uitgegroeid tot een publiekssucces. Boltanski heeft geëxposeerd in bijna alle grote musea ter wereld. Deze maand heeft het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam hem uitgenodigd in het kader van ‘ZWART/WIT’, een jaren omvattend project.

In Rotterdam kreeg Boltanski de vrije hand om het begrip lot, toeval, of de ‘hand van God’, zoals de kunstenaar het zelf ook weleens omschrijft, te vertalen in een opstelling die hij vorige zomer ook op de Biënnale van Venetië liet zien. Chance, zoals het werk heet, is zwart-wit, maar vooral groot en grauw.

Een reusachtige zaal van het Nederlands Fotomuseum is veranderd in iets wat lijkt op een drukkerij in vol bedrijf. Maar waar in een echte drukkerij krantenpagina’s over loopbanden snellen, razen in Boltanski’s werkplaats filmrollen met foto’s van babygezichten voorbij. Op en af gaat het langs grijze steigers, omhoog en omlaag, links, rechtdoor en in een haakse hoek naar rechts.

Je kunt een dichtgeknepen oog onderscheiden, een naar een speen tastende mond, een stukje voorhoofd vol fronsen. Tijd om individuele gelaatstrekken te onderscheiden krijgt de kijker niet. Totdat een harde bel rinkelt en de lopende band voor een ogenblik wordt stilgezet. Het babyportret dat toevallig voor een camera stil komt te vallen, wordt geprojecteerd op een monitor.

Is het goed of slecht, dat deze baby is uitverkoren? Volgens Boltanski allebei. En dus gaat Chance over een heleboel: over de dood, over het risico om op te vallen, over de futiliteit van het leven, over de vermorzeling van het individu in een helse machinerie, zelfs over abortus, zoals de kunstenaar laatst in een interview zei. Leven en dood worden nogmaals uitvergroot op digitale borden aan linker- en rechterzijde van de stellage: digitale cijfers tikken het aantal geboortes en sterfgevallen op aarde weg. Waar er vier sterven, worden er zes geboren.

Het probleem met Chance en met veel van Boltanski’s recente installaties is de leesbaarheid. Boltanski, die graag koketteert met zijn luiheid, geeft zich in zijn werk steeds meer over aan het gebruik van clichématige metaforen die in één oogopslag te duiden zijn. En hoe megalomaner de installaties, hoe platter de symboliek.

Zo ook in Chance. Boltanski bewandelt een pad dat al tientallen keren is betreden. Niets blijft verborgen, niets valt er te raden. Hoe kan het ook anders, als je alleen maar denkt in zwart en in wit, en alle grijstinten daartussen negeert – voor het gemak?