Zoek de verschillen

Wie veertig jaar geleden in Amsterdam een Aziatische toerist tegenkwam met een fototoestel op zijn buik wist dat hij een Japanner zag. Tegenwoordig zijn Aziatische toeristen met camera’s meestal Chinezen. Dat weten we omdat er uitvoerig over geschreven is: hoe moderne Chinezen jarenlang sparen voor een bezoek aan onze omgeving, en hoe ze dan ergens centraal in Europa met het vliegtuig landen en met gehuurde autobussen in een week alle Europese hoofdsteden langs gaan en dan tevreden terugkeren naar huis met foto’s van een onvergetelijke reis. Het is een fenomeen.

Dat het Chinezen en geen Japanners zijn in die bussen op het Museumplein of bij het Rembrandthuis staat dus vast. Maar kun je het verschil tussen Japanners en Chinezen ook ergens anders aan zien dan aan die autobussen en de gebruikelijke lange mars over de wallen? Zijn Japanners helemaal uit het straatbeeld verdwenen? En hoe zit het met Koreanen, komen die wel naar Holland?

Dat wilde de amateuronderzoeker al een hele tijd weten. Waarom hij juist deze week besloot het ook eens uit te zoeken schiet hem niet meer te binnen, misschien kwam het doordat hij op het Waterlooplein net de brochure Was muss man von der Völkerkunde wissen had gevonden. Het beduimelde boekje van Oswald Siegert stamt uit 1900, dus uit een tijd waarin, laten we zeggen, het geloof in een typisch volkskarakter nog sterk was en het negentiende-eeuwse schedelmeten nog in hoog aanzien stond. Er staan zinnen in die je niet graag zou overschrijven.

Oswald Siegert had geen moeite met het onderscheid. Chinezen zijn uitgesproken klein, zelden langer dan 1 meter 52, schrijft hij, ze hebben zwarte, scheefstaande ogen, zwart sluik haar, een gedrongen neus, spaarzame baardgroei, vooruitstekende jukbeenderen en een ledergele huid. Helder.

De Japanner is anders. Hij heeft een lichte overbeet die hem een onprettig voorkomen geeft. Met zijn wijkende voorhoofd lijkt hij minder intelligent dan hij is. Opvallend zijn verder nog zijn platte neus, zijn uitpuilende ogen, de wijkende kin en de lange benen. Gezicht en lichaamsbouw zijn enigszins onrijp en kinderlijk. In zijn aard is de Japanner inconsequent, voegt Siegert nog toe, maar dat is natuurlijk al volkskarakter.

Zo te lezen lijkt er meer te wijken aan het hoofd van de Japanner dan technisch mogelijk is, maar van belang is dat rond 1900 de overtuiging bestond dat Chinezen en Japanners voor Europeanen en andere westerlingen van elkaar waren te onderscheiden. Eind 1941 was dat vertrouwen aan het verdwijnen. De aanval op Pearl Harbor had het Westen opeens in oorlog met Japan gebracht en er moesten haastje-repje richtlijnen komen voor het onderscheid tussen Japanners en Chinezen. Want de Chinezen bleven vrienden. De bladen Life en Time hadden de voornaamste verschillen binnen een paar dagen op een rij. De Chinees heeft een lang smal gezicht, dat van de Japanner is kort en breed, noteerde Life in het handzame ‘How to tell Japs from the Chinese’. De Chinees heeft een perkamentachtig gele huid en die van de Japanner is meer aardachtig geel. Time wees er in ‘How to tell your friends from the Japs’ op dat Japanners ook uitgesproken klein waren en zelden dik werden afgezien dan van de Sumo-worstelaars. En ze waren behaarder dan Chinezen.

Een paar maanden later kwam de US War Department met zijn eigen aanwijzingen: ‘How to spot a Jap’. De Japanner is zo kort dat het lijkt alsof zijn benen aan zijn borst zitten, kregen de troepen te horen. De Chinees glimlacht makkelijk terwijl de Japanner nooit vrolijk is en steevast denkt te zullen worden neergeschoten. De Chinees kan de r niet uitspreken, daar maakt-ie een l van, bij de Japanner is het net andersom. Kloepoek bij de één, rimonade bij de ander. En waar de huid van de Chinees bronskleurig is te noemen is die van de Japanner eerder citroengeel.

Dat was 1942. Nu zijn we 70 jaar verder en de vraag hoe je Chinezen, Japanners en Koreanen uit elkaar kunt houden blijkt één van de topvragen op internet. ‘How to tell Asians apart’, enzovoort, ook op YouTube. Aan snedige, geestige en beledigende antwoorden is geen gebrek, maar de tegenspraak is nog steeds overweldigend. Wie compositieportretten samenstelt van heel veel Chinese, Japanse en Koreaanse gezichten, zoals de Griekse antropoloog Dienekes Pontikos in 2006 deed voor zijn blog, construeert gezichten die zoveel op elkaar lijken dat je zou zweren dat er helemaal geen echte verschillen zijn. Maar dat is onzin, want Chinezen herkennen Japanners, Koreanen en Taiwanezen al op een kilometer afstand, zegt Oscar Garschagen, correspondent van deze krant in Shanghai. En dat nota bene terwijl er tussen Chinezen onderling zulke grote verschillen bestaan.

Garschagen zelf komt na een jarenlang verblijf in China inmiddels ook een eind, en waarachtig noemt hij Chinezen fijn en tenger en Japanners vierkant en bonkig, maar de voornaamste verschillen ontdekte hij in de persoonlijke omgang. Kort samengevat komt dat er op neer dat hij het uitstekend met zijn Chinezen vinden kan. En minder met Japanners. Een tip die in de praktijk uitkomst kan bieden is dat Chinezen graag hun haar verven, altijd pikzwart, terwijl Japanners daar doorgaans van afzien.

Leuk om te weten is dat Chinezen Europeanen net zo moeilijk uit elkaar houden als Europeanen Chinezen. Dat is altijd weer een dankbaar gespreksthema. Het fenomeen is verwant aan de AW-vraag die vandaag centraal staat, maar moet daar niet mee verward worden. Een bevriende sociaal psychologe brengt het in verband met het in-group – out-group concept. De groep waartoe men niet behoort lijkt altijd homogener. Of dit een beschrijving of een verklaring is werd niet zomaar duidelijk.

Zag Garschagen veel gele Chinezen en gele Japanners? Nee, hij heeft nooit gele Chinezen of gele Japanners gezien. ‘Ze zijn wel eens bruin, vooral als ze lang in de zon hebben gezeten, maar geel, nee, je zou me een plezier doen als je uitzocht waarom Chinezen altijd geel worden genoemd.’

Vandaag is daar net ruimte voor, de vraag stond ook al lang op de lijst, samen met de vraag waarom de indianen van Noord-Amerika altijd rood werden genoemd: roodhuiden. Peaux rouges.

Losjes googlend kwam het antwoord zomaar kant en klaar van de wikipedia ‘color terminology for race’. We hebben de aanduiding te danken aan Carolus Linnaeus, de Zweed die systeem bracht in het planten- en dierenrijk. Tegen het eind van de achttiende eeuw onderscheidde hij vier menselijke rassen. Het Europese ras noemde hij wit, het Aziatische geel, dat van Afrika zwart en dat van Noord-Amerika rood. Later stopte hij er nog een bruin ras bij, dat waren de Polynesiërs. Linnaeus’ beschermeling Johann Friedrich Blumenbach kwam langs deze makkelijke weg tot de ‘vijf kleuren typologie’ van menselijke rassen: wit, geel, rood, zwart, bruin. Het staat allemaal in die wikipedia. Niemand vroeg zich af of die Aziaten echt geel waren.