'We zijn geen dansschuur'

Een museum dat zichzelf bedruipt. Bij een salade legt oud-hotelmanager Karin Brandt uit hoe zij dat bij het Scheepvaartmuseum gaat realiseren.

We lunchen aan de rand van de rosse buurt in Amsterdam. De plek waar Karin Brandt (50) wortelde, na lange jaren in het buitenland. Karin Brandt is een van de drie directeuren van het Amsterdamse Scheepvaartmuseum, gevestigd in het voormalig zeemagazijn uit 1656 aan het IJ. Ze zegt: „Mijn roots zijn op mijn dertigste ontstaan.” Hier op de Amsterdamse Wallen.

Het Scheepvaartmuseum is net weer open, na een jarenlange verbouwing. Het is een museum én een locatie voor evenementen en partijen. Sterker: het grote binnenplein dat nu overdekt is door een gigantisch glazen dak, wordt avond aan avond gevuld met gasten. Die van de AKO Literatuurprijs, van het televisieprogramma Tussen Kunst en Kitsch en van de Elle Style Awards. Het geld dat daarmee wordt verdiend, wordt weer in het museum gestoken. Voor Nederland is dat een unieke constructie: een museum dat zichzelf bedruipt. In de buurt komt het Wereldmuseum in Rotterdam, dat zichzelf financiert met het eigen restaurant. Als het in Amsterdam lukt, is het Karin Brandt die de veren krijgt. Zij is, sinds 2008, verantwoordelijk voor de commerciële exploitatie van het museum en het gebouw.

Glanzend donkerbruin haar, groene ogen. Vriendelijk en warm. Ze spreekt het Nederlands van iemand die hier niet is opgegroeid. Een licht accent, hier en daar de klemtoon net anders. „Zo mooi, midden in de hoerenbuurt zo’n mooi restaurant.” Daarom wilde ze afspreken in restaurant Anna in de Warmoesstraat, waar de meubels modern zijn en het eten apart. „Orde in de gekte, schoonheid in de chaos van de stad. Daar hou ik van.” Sinds twintig jaar is Amsterdam ‘haar’ stad. Ze wijst naar buiten. Daar, op een van de Wallen kocht ze haar eerste huis. „Mijn eigen spullen, een eigen sleutel. Zo veilig als ik me voelde in een buurt die toch berucht was.” Ze woonde er alleen, tot ze haar man ontmoette en naar de Pijp verhuisde, van oudsher een volkswijk.

Ze heeft een fotoboekje bij zich dat haar zusje maakte na de dood van haar vader. Een jonge man, zwaaiend op het trappetje van het vliegtuigje dat hem naar Singapore zou brengen. Haar vader. „Hij was negentien en in dienst van de Nederlandse Handels Maatschappij. Hij is op weg zijn geluk te vinden.” Hij trouwde haar moeder, die uit Birma kwam. Ze kregen een dochter in India, dochter Karin werd geboren op verlof in Nederland, in Pakistan kwam nog een zusje en in Iran nog een. En met het hele gezin woonden ze in Singapore, Maleisië, Jakarta. „We wortelden niet verticaal, maar horizontaal. We raakten onderling gehecht, als gezin waren we een unit.” Bij haar heeft het vele verkassen goed uitgepakt. „Ik heb geleerd een kameleon te zijn. Mijn voelsprieten zijn gegroeid, ik kan direct inschatten hoe de situatie is, en hoe ik mensen het best kan benaderen. Dat is mijn instinct.” In-stinct, zegt ze. Op z’n Engels.

Museale ontvangsten

Ze heeft van tevoren ook nagedacht wat ze gaat eten. Niet het uitgebreide menu dat de serveerster voorstelt, maar een salade van verschillende tomaten op verschillende manieren bereid. Geen wijn, maar water. Straks na de lunch gaat ze nog vergaderen met de directeuren van andere historische locaties in Amsterdam; zoals de Beurs van Berlage, de Westergasfabriek, Artis, het Concertgebouw. En vanavond heeft ze een receptie met andere museumdirecteuren over ‘museale ontvangsten’ in de stad.

Kan dat, alle concurrenten bij elkaar? „De museumwereld is een vriendelijke, sympathieke wereld”, zegt ze. „We vormen een broederschap. Als het goed gaat met ons, gaat het goed met andere musea.” En musea zijn gebaat bij een zo prettig mogelijke stad. Voor Amsterdammers én toeristen. Daarom zit Karin Brandt ook in het bestuur van de Plantage. „We willen alle attracties in Oost, van de Hortus tot de Portugese synagoge bekender maken bij het grote publiek.” Amsterdam op de kaart zetten, noemt ze dat. De wereld van musea verschilt volgens haar niet veel van de wereld waar zij uit komt. Die van de hotels. Hiervoor werkte ze als commercieel directeur bij Mövenpick hotels, het Lloyd hotel en Krasnapolsky. „Net als musea verkopen hotels ook een locatie, een stad, een beleving.”

Ze deed de Hotelschool in Den Haag. „Toen ik klein was, gingen we elke zomer naar Nederland op vakantie. We logeerden in Zwartsluis, een plaatsje boven Zwolle. Ik was verrukt. Het water, de luchten, dat Hollandse gevoel. Vanaf mijn puberjaren kreeg ik heimwee naar het land waar ik nooit woonde.” Voor haar was het logisch om hier te studeren. Dat het iets in de ‘gastvrijheidssector’ zou zijn, lag ook voor de hand. „Mijn moeder was een fantastisch gastvrouw. Echt Aziatisch. De drang om het prettig te maken voor anderen, zit ook in mij. Als je bij mij om zes uur aanbelt, eet je mee. Dan eten wij wat minder.”

Wij, dat zijn haar tweelingdochters van 12 en zoon van 9 en haar man. „Een echte tukker. Hij is personal trainer en shiatsu masseur.” De wij van vroeger (haar zusjes) wonen in Amerika en eentje in Manilla, haar moeder in Den Haag. „Onderlings spreken ze Engels, alleen met mij Nederlands.”

Na de hotelschool begon haar expatleven opnieuw, nu door haar toenmalige geliefde. Weer van Hongkong naar Taipei. Tot ze 28 was, de liefde uitging en ze met twee koffers alleen naar Amsterdam ging om er nooit meer weg te gaan. „Ik werkte voor een Amerikaanse keten, Marriott International. Er komt een moment dat het bedrijf je rijp vindt om ‘naar buiten te gaan’. De enige weg om hogerop te komen, is een paar jaar in het buitenland werken. No way. Ik heb jaren intens gereisd. Maar kwam altijd terug. Ik kan niet het opbrengen mijn leven hier te ontwrichten.”

Ze ging werken bij het Krasnapolsky hotel. Ze vertelt hoe ze daar leerde dat maatschappelijk belang en eigen belang heel goed samen gaan. „In 1992 zou er een aidscongres gehouden worden in Boston. Maar Boston vond aids maar eng, en had dat congres liever niet in de stad. De directeur van Krasnapolsky, mijn baas, zei toen: ‘Kom maar bij ons.’ De congresgangers werden over de stad verdeeld. En met zeventien vijfsterrenhotels organiseerde hij het Damdiner voor het Aidsfonds.”

Ze is geen historicus en ze is geen wetenschapper. Ze komt, zegt ze heel voorzichtig, uit een commerciële wereld die je oppervlakkig zou kunnen noemen. „Je kunt vinden dat de hotellerie vluchtig is.” Dat de directie haar – „een hotelpersoon” – bij het museum haalde, was „dapper en nieuw”, maar ze kan heel goed uitleggen waarom het een goed idee is. „Hoe maak je een museum gastvrij, daar ben ik voor.” Dus spreekt zij niet over bezoekers, maar over gasten. En die gasten wil zij een ‘beleving’ aanbieden. Edutainment, noemt ze dat. „Je hebt een prettige ervaring en je steekt er ook nog wat van op.”

Gastgericht

Gasten besteden veertig procent van hun tijd aan ‘niet-museale activiteiten’. Ze gaan naar de wc, de garderobe, drinken koffie in het restaurant. „Dus moet het daar mooi en prettig zijn. En gastgericht.” De directeuren maakten een field trip naar Londen om te kijken hoe het British Museum dat doet, het National Maritime Museum in Greenwich, de Tate Gallery.

Het museum is één. Maar twee is dat het Scheepvaartmuseum ook een gebouw is met die overdekte binnen-plaats, een restaurant, een winkel en zalen die „24/7” verhuurd kunnen worden. „De exploitatie daarvan moet een plus gaan opleveren, en het museum voeden.” En ja, ze moet soms even uitleggen wat ze aan het doen is. „Dan moeten er ’s middags al tafels voor een diner ’s avonds worden opgedekt. Of de bibliotheekramen zijn weer verspert door stellages voor een ander evenement.”

Maar het zal wel moeten. De subsidie- en sponsorinkomsten nemen af. Zeker 50 Nederlandse musea zeggen dat ze het moeilijk hebben, voor zeventien musea dreigt sluiting. „Een derde, commerciële geldstroom is nodig. Wij zijn de eersten met dit model.”

Karin Brandt heeft voor het restaurant, de winkel, de beveiliging ‘eigen’ mensen in dienst. „In het restaurant werken mensen met verstand van horeca, de beveiligers bewaken ‘hun’ museum.” Dan is het te begrijpen dat die beveiligers wat wanhopig werden van het modepubliek bij de Elle Style Awards dat her en der champagneglazen neerzette en rookte waar het verboden was (overal). Er liepen wat dingetjes mis, zegt Karin Brandt. Ze kijkt er heel vriendelijk bij. Ze heeft ervan geleerd dat zij het nog beter moet doen. „Wij moeten duidelijker regels stellen. We zijn een museum, geen dansschuur.”

Hip

Het Scheepvaartmuseum is nog geen drie maanden open. In de kerstvakantie was het zo druk dat er rijen buiten stonden. „Ineens zijn musea weer hip.” Op de binnenplaats zijn al flink wat feesten gegeven. Niet zo gek, zeggen sceptici. Want waar anders moet je heen in de stad? Vindt Karin Brandt niet erg als mensen dat zeggen, want het klopt. „Wij vullen een hiaat. Voor evenementen tot 500 man zijn er voldoende plekken, boven de 1.000 mensen ga je naar de RAI of het Okura hotel. Voor alles ertussen zijn wij er nu.”

Waar het haar om te doen is, is dat mensen terugkomen. Dat de buitenlandse congresleden die op de binnenplaats hun einddiner hebben, de volgende keer met hun gezin komen. En dan ook naar het museum gaan. Ze tekent een vierkant op het witte tafelkleed. De vier vleugels van het museumgebouw. Voor elke vleugel is een doelgroep. „Gezinnen, scholieren, maritieme liefhebbers en mensen die doorgaans niet in een museum komen.”

Ter afsluiting van de lunch neemt ze alleen een kopje thee, en één chocolaatje. Daarna stapt ze op de fiets. Ik vraag nog of ze ver moet. Nee hoor, lacht ze, ze gaat terug naar het Scheepvaartmuseum. Daar is de vergadering, de receptie van vanavond is daar ook. Ze lacht. „Iedereen komt bij mij.”