Veldtocht tegen de nieuwe barbaren

Geschiedenis De oudheidkunde is in verval door pasklare ideeën, slordigheden en bagatellen. Jona Lendering schreef een aanklacht – en een liefdesverklaring.

Praat met oudhistoricus Jona Lendering en de meeste gymnasiumwaarheden verdampen als sneeuw voor de zon. Hoezo is er continuïteit tussen de Oudheid en onze tijd? “Wij bouwen veel minder voort op Rome dan wordt aangenomen. In de Late Middeleeuwen zitten veel meer elementen die voor onze Europese identiteit bepalend zijn. Je kan beter naar de Arabieren of de Germanen kijken. Desnoods Byzantium! Ik zeg: pak eens een theoriehandboek geschiedenis, en lees het debat over de continuïteit tussen het Duitsland van de negentiende eeuw en Hitlers Derde Rijk. En ga dán nog eens nadenken over de Oudheid en ons.”

Jona Lendering (1964) is een bijzondere man. Hij is een scherpzinnige historicus, met op zijn naam een schitterende biografie van Alexander de Grote (2004), een boek met reconstructies van klassieke veldslagen (2006) en een bekroond overzicht van de Romeinse tijd in Nederland (2010). En hij heeft een geduchte reputatie als foutenjager, met een geliefd maandelijkse mailoverzicht van echt nieuws en nieuwe stommiteiten over de Oudheid. Maar het ongewoonste is dat hij een geheel zelfstandig gevestigde geleerde is, met een eigen cursuscentrum: Livius. En een enorme werklust. Aan een universiteit is hij niet verbonden.

Deze man heeft nu de hele oudheidkunde in Nederland en daarbuiten de wacht aan gezegd. Vorige week verscheen zijn nieuwste boek met een ondertitel als een inhoudsopgave: De klad in de klassieken. Waarom onze kennis van de Oudheid onbetrouwbaar wordt, waarom dat zorgwekkend is (ook voor wie niet in de Oudheid is geïnteresseerd) en hoe daar iets aan kan worden gedaan..

Het meest fundamentele probleem volgens Lendering is dat de academische studie van de Oudheid de Grote Vragen verwaarloost, zoals die bovengenoemde kwestie van continuïteit met het heden. Er is ook te weinig inhoudelijke invloed van sociale wetenschappen, er is een algeheel gebrek aan theoretische vernieuwing. Ook wordt de overdracht van informatie schromelijk verwaarloosd, waardoor de maatschappelijke kennis van de Oudheid steeds meer gedomineerd wordt door bestsellers vol fouten en onbewezen beweringen op internet.

En tegelijkertijd is het boek een liefdevolle beschrijving van de studie van de Oudheid, waarbij de enorme stappen vooruit opvallen die in de negentiende eeuw zijn gezet, vooral in bronnenkritiek. Ook is er vooruitgang in historische verklaring tot ver in de twintigste eeuw: van ‘inleving’, via het ‘zoeken naar wetmatigheden’ en het ‘vergelijken met andere culturen’ naar het ‘narrativisme’ (bestaande feiten gebruiken in een ‘nieuw’ verhaal) en het moderne computermodel (‘physics of society’).

Lenderings conclusie is somber: “Het afgelopen halve millennium is er altijd wel een oudheidkundige subdiscipline geweest waarvan de theorie zich vernieuwde, maar daaraan is in de jaren tachtig een einde gekomen.” Voornaamste boosdoener: studieduurverkorting en publicatiedwang voor universitaire medewerkers.

Voornaamste effect: steeds meer fouten, ook in universitaire producties. Zoals stereotype opmerkingen over Joden, landkaarten die niet deugen, archeologen die, mogelijk opzettelijk, een relevante klassieke tekst links laten liggen. Het vergeten inzicht dat het beroemde Teutoburger Woud helemaal geen woud hoeft te zijn (want de Romeinse historicus Tacitus, die er nooit geweest is, kan wel denken dat het een woud is, maar de aan oudere bronnen ontleende naam Saltus Teutoburgiensis heeft een veel bredere betekenis – in de negentiende eeuw was het bekend, maar toen archeologen eind vorige eeuw pollenonderzoek deden, waren ze verbaasd weinig aanwijzingen voor geboomte te vinden). Lendering heeft zeer veel voorbeelden.

Nou ja, een paar fouten is toch niet zó erg?

Lendering: “Het gaat wel iets verder hoor! Er circuleren verbijsterend veel fouten en er is erg weinig echte informatieoverdracht vanuit de universiteit. Maar er zijn ook wel fundamentelere kwesties aan te snijden, zoals die onnadenkende acceptatie van het idee dat onze cultuur voortbouwt op de Oudheid. Of neem vergelijkbaarheid, daar wordt ook maar wat aangerommeld. Ja, je mag Perzië best vergelijken met Rome, dat is binnen dezelfde periode. Maar verder? In de sociale wetenschap zijn boeken over de grenzen van vergelijkbaarheid geschreven. Maar kijk eens hier, een boek waarin de strijdwijze van Homerische krijgers [ca. 1.000-800 v. Chr.] wordt vergeleken met moderne oorlogsvoering. Dat kan gewoon niet: een primitieve aristocratische samenleving vergelijken met een postindustriële. Ik zie ook wel dat Achilles het lijk van Hector achter zijn strijdwagen bindt en rondsleept en dat er zoiets ook gebeurd is in Mogadishu met die Amerikaanse helikopterbemanning. Maar wat zegt dat? Ja, het is haat, maar verder? Dit levert eigenlijk niks op.”

Maar die continuïteit en vergelijkbaarheid vormen toch ook de diepere rechtvaardiging voor de bijzondere aandacht voor de Klassieke Oudheid?

“Wat een typisch academische opmerking! Waarom zou je die aandacht moeten rechtvaardigen? Moet je een concert rechtvaardigen? Een film? Nee, want dat is leuk en prettig. En geschiedenis is ook fun. Niks meer, niks minder. En het is nog leuker en prettiger als de feiten kloppen en de uitleg wáár is. Het is het gevoel: ‘ik sta hier op het slagveld van Issos en daar heeft Alexander toen die charge uitgevoerd tegen het Perzische leger’. Als het toen anders was gegaan, was er ook voor mij iets veranderd. Dat je hart even overslaat bij een oud manuscript. En dat gevoel is niet pas belangrijk als er allerlei hoogdravende continuïteitstheorieën worden verkondigd. Nee, dat is gewoon leuk in zichzelf. Dat is een natuurlijke belangstelling voor oude dingen. In mijn boek geef ik daarom ook telkens het woord aan mensen die dat ook voelen: iemand die zich verkleedt als Romeins soldaat, een leraar, een hovenier, een reiziger, enzovoorts, en geen van allen betrokken bij een universiteit.

“Op een gegeven moment is die natuurlijke historische belangstelling daar wel terechtgekomen: aan de universiteit. En sindsdien moet de oudheidkunde gerechtvaardigd worden omdat er zoveel geld heen gaat. Maar dat is een Faustiaanse fout, een pact met de duivel. Want door zich te verbinden aan de universiteit moet die ervaring die an sich helemaal geen relevantie heeft, relevant gemaakt worden.

“We moeten onderscheid maken tussen wat geschiedenis zelf is en wat de universiteit doet. Er moet natuurlijk wel onderzoek gedaan worden. Als je ontroerd bent door de Magna Carta [Engels handvest van vrijheden, 1215] of het Plakkaat van Verlatinghe [Nederlandse afzwering van koning Filips II, 1581], dan is het ook goed dat iemand op de universiteit uitzoekt of wat daar allemaal over beweerd wordt wel waar is. En wat eigenlijk de context is. Maar het doel daarvan is de overdracht aan de samenleving. En die is er niet. Terwijl het niveau daalt.”

Reduceert u de wetenschap dan niet tot een foutenjachtclub?

“Nee. Ik wil wel dat fouten in de openbare discussies gecorrigeerd worden, maar dat is allemaal ten dienste van het doel dat de geschiedenis weer voor de mensen is. Dat mensen veel vaker weten: dit is historische grond. Het moet gaan om de historische, archeologische of literaire belangstelling bij de mensen in de samenleving. Waarom zegt de regering niet: we rekenen de oudheidkundigen even niet af op hun peer reviewed publicaties, maar over drie jaar moet er wel een mooie website zijn met heldere en wél betrouwbare informatie. Waarom niet? Ga die communicatie eens aan! En oké: ga ook op jacht naar fouten. Maak een Wikipedia waaraan alle academici meedoen. Waarom wordt dat internet volledig genegeerd door de classici en oudhistorici? De archeologen doen het overigens wel iets beter op internet.”

Is het niet een typisch letterenprobleem, waarin schoolvorming en traditie veel sterker zijn dan in bètavakken?

“Jazeker, ik had die frustratie al bij mijn studie. Er was toen al vrijwel geen neiging om een probleem anders te bekijken, met andere wetenschappen. En zo is het gebleven. In die tijd schreef de psycholoog Piet Vroon over de Oudheid: in de homerische tijden leken de goden echt tot mensen te spreken, omdat toen de hersenhelften nog niet goed geïntegreerd waren. Oké, ik denk niet dat dat waar is, maar dat is omdat ik denk vanuit een oudheidkundige traditie, en niet vanuit een psychologische. Maar je moet er serieus naar kijken.

“Maar wat deden mijn docenten? Die deden het af als quatsch en zeiden dat die sprekende goden een literaire vorm waren. Ja, ook best, maar dat is een redeneerfout – verandering van metabasis – waarover Aristoteles al klaagde! Je kunt psychologische vooronderstellingen niet weerleggen met literatuurwetenschappelijke opvattingen. Het was echt een gemiste kans. Want dachten de mensen in die tijd nu wel of niet anders dan nu? We weten het nog steeds niet.”

Maar altijd zal er veel onzekerheid zijn in de geschiedenis. Het is dan toch moeilijk een ander te overtuigen?

“Ja, als iemand zegt dat water op zeeniveau kookt bij tachtig graden dan is dat evident niet waar. Maar als ik zeg dat Nijmegen in 19 of juist in 13 voor Chr. is gesticht, dan heb je te maken met argumenten voor en tegen, en veel meer opinie. Maar het is bizar dat deze onzekerheid wordt gebruikt als excuus om evidente fouten niet te corrigeren. Daarom blijven veel absurditeiten gewoon bestaan.

“Het is echt allang volkomen duidelijk dat het oude idee van het rationele en democratische vrije Griekenland tegenover het mystieke en religieuze Midden-Oosten totale onzin is. Maar kijk, hier is weer een boek waarin een hoogleraar van de Universiteit van Californië het vrolijk gaat oplepelen en zelfs een verband legt met de War on terror. Alsof de slag bij Marathon het beslissende moment in de strijd voor ons Vrije Westen was. Wat een flauwekul. Dat is propaganda, geen wetenschap. In het populaire boek Persian Fire van Tom Holland wordt dat ook weer uit de doeken gedaan. Als je zou zeggen dat de geschiedenis de geschiedenis van de klassenstrijd is of van de strijd van het blanke ras met de joden, ja, dan ziet iedereen wel dat dat soort abstracties niet kloppen. Maar laat ‘het’ Oosten vijfentwintig eeuwen vechten met ‘het’ Westen en er is geen classicus die in het geweer komt.

“Ideologie in de wetenschap, daar maak ik me echt zorgen over. Je kan je wel de hele dag inleven in Cicero en Plato en dan denken dat er niks veranderd is sinds de Oudheid, maar je moet toch begrijpen dat dat niet in orde is. En dan wreekt zich dat de opleiding zo kort is geworden. Classici krijgen nauwelijks nog geschiedenistheorie. De oude ideeën blijven hangen, ook al omdat academici in heel kleine onderzoekjes blijven hangen. Die eindeloze publicatiedwang leidt tot verwaarlozing van de werkelijke belangen van het vakgebied: overdracht. Als je bezig blijft met het grote publiek wordt je ook veel sneller in het grote plaatje gedwongen. Dat is nu niet aan de orde.”

Komt het nog goed?

“Ik betwijfel het. Het financieringsmodel dwingt tot het toelaten van zoveel mogelijk studenten. Dan ga je de toelatingseisen afzwakken. Je mag nu zonder eindexamen Grieks en Latijn klassieke talen gaan studeren. Dat middelbareschoolhiaat wordt dan opgevangen met een stoomcursus in de zomer. Tja. En je mag ook zonder geschiedenis archeologie gaan studeren. Zo krijg je met een studieduur van vier jaar oud-historici die weinig oude talen kennen, geen goede historici zijn en weinig van archeologie weten. En dan krijgen ze ook te horen dat ze vooral in de voorlichting komen te werken. Met die geringe bagage! Voor het eerst sinds de Renaissance is er nu een generatie oudheidkundigen die minder weten dan de vorige. Een Nijmeegse oudhistoricus zegt zelfs: minder dan in de negentiende eeuw.”

En dus schrijft u: vijf professionele oudhistorici zijn wel genoeg voor Nederland, een voor de archeologen, een voor de classici, een voor het toerisme, een voor de andere historici en een die de schoolboeken controleert.

“Ja, er zijn te veel onderzoekers en er is te weinig geld voor een adequate opleiding. De studieduurbeperking is in 1982 begonnen. En 2012, dertig jaar later, is waarschijnlijk het laatste jaar dat we nog wat kunnen doen. Als we meer dan één generatie verliezen wordt de breuk te groot. Ik denk dat we weg moeten van de universiteiten en één onafhankelijk interdisciplinair instituut oprichten met strenge toelatingseisen en voldoende studietijd voor adequate opleidingen.”

Maar de oudheidkunde wordt toch vaak goed beoordeeld door visitatiecommissies?

“Welnee, dat lijkt maar zo. Wat ze bekijken is of onderzoekers en docenten het even goed doen als hun collega’s. En ik vrees dat als iedereen in dezelfde neerwaartse spiraal zit, je in dit systeem toch het oordeel krijgt dat het in orde is. Wetenschap dient er voor dat de samenleving adequate informatie krijgt. Meet dat eens op! En begrijp me niet verkeerd: de meeste academici zijn van goede wil, maar het systeem werkt niet.

“Wat willen we nog met de Letteren? Zoals nu, kan het niet verder. En bij oudheid is het nog het makkelijkst op te lossen, want politieke of economische belangen spelen er totaal niet mee, zoals wel bij islamologie of vaderlandse geschiedenis. Als je in mijn vak wegblijft van Israël, Macedonië en de Perzische Cyruscylinder, heb je van niemand last. Of de Romeinse limes nou door de Rijn liep of een eindje verder, nou en? En wij hebben de luxe van een groot publiek, ook al bedienen we het slecht. In de oudheidkunde is het tenminste mogelijk een oplossing te zoeken.

“Maar waarschijnlijk verandert er niks, omdat mensen altijd kijken naar wat ze zullen verliezen en niet naar wat zijzelf en de samenleving kunnen winnen.”

Reageren? wetenschap@nrc.nl