Traduttore, traditore

Een vertaler is een verrader, zegt een Italiaans spreekwoord. Daarmee wordt bedoeld dat een vertaler zijn eigen opvattingen, belangen en gevoelens in zijn vertaling stopt, vaak zonder het zelf te merken. Hetzelfde probleem doet zich voor als wetenschappers hun onderzoeksresultaten en waarnemingen vertalen in voedingsadviezen. De overheid vraagt wetenschappers vaak om adviezen; zij wil beleid voeren en de bevolking adviseren op basis van wetenschappelijke feiten. Die adviezen moeten niet zijn beïnvloed door privéovertuigingen en belangen, dan zijn ze niet geloofwaardig. Stokpaardjes en belangen van wetenschappers zijn schadelijk voor het draagvlak van de wetenschap en het daarop gebaseerde beleid. Het is een actueel probleem. De Wageningen Universiteit en de Voedsel- en Waren Autoriteit wijden er komende woensdag een symposium aan, getiteld ‘Veilig en Gezond voedsel – over geloofwaardigheid’.

Wat gaat er zoal mis als deskundigen wetenschappelijke gegevens interpreteren en vertalen naar een voedingsadvies? Dat laat zich illustreren aan de hand van bijbelvertalingen. Ook daar beïnvloeden de opvattingen en belangen van de vertalers hun interpretatie van de ruwe data. Neem het verhaal waarin Michal haar man David (de toekomstige koning) behoedt voor een moordaanslag. Ze laat hem ’s nachts uit het raam van hun slaapkamer zakken en om de moordenaars te misleiden legt ze vervolgens iets met de vorm van een mens onder de dekens. Traditionele Bijbelvertalingen spreken van ‘beelden’ of ‘poppen’ maar volgens de Hebreeuwse oertekst legde Michal (terafiem) onder de dekens, dat zijn huisgoden. Traditionele joodse en christelijke vertalers kregen het woord huisgod niet uit hun pen, ze wilden niet weten dat David afgodsbeelden in huis had. De tien geboden verbieden dat immers, afgodendienst is een grote zonde.

Het geloof en de opvattingen van de vertaler beïnvloeden dus de vertaling. Ook wetenschappers zijn daar niet vrij van. Ik doel daarmee niet alleen op financiële belangen, al kleuren die wel degelijk hun oordeel. Ook zonder subsidie van de bonentelers zal een vegetarisch etende onderzoeker eerder aanvaarden dat vlees eten kanker veroorzaakt dan een vleesetende collega. Die heeft meer oog voor de zwaktes van het betreffende onderzoek. Vaak doet een onderzoeker zelf onderzoek dat zijn overtuigingen bevestigt. Het is de vraag wat dan eerst kwam. Gelooft een onderzoeker dat rode wijn hartinfarcten voorkomt omdat hij dat zelf heeft ontdekt, of geloofde hij het toch al en werd dat door zijn onderzoek alleen maar bevestigd? In elk geval staat met de wijn nu zijn reputatie en zijn broodwinning op het spel zodat belang en stokpaardje een onontwarbare kluwen worden.

Een groep toxicologen deed twee jaar geleden een interessante suggestie om het effect van het geloof en van de carrièreambities van experts op de inhoud van adviezen terug te dringen. Deze toxicologen vonden dat het risico dat een bepaalde stof in voedsel en milieu kanker veroorzaakte wel eens werd overdreven. Dat kwam doordat de adviezen vooral werden opgesteld door wetenschappers die hun leven hadden gewijd aan onderzoek naar die stof. De suggestie was om voortaan zo’n adviescommissie te bemannen met toxicologen die hun carrière niet dankten aan de stof in kwestie. Zij kunnen ballonnen doorprikken en effecten wat relativeren.

Dat idee spreekt mij aan. Zes jaar geleden heb ik zelf zo’n rol vervuld in de commissie voedselallergie; de minister van Volksgezondheid had de Gezondheidsraad gevraagd om een advies daarover. Voedselallergie wordt veroorzaakt door fouten van het afweersysteem. Het ziet eiwitten uit noten, melk, soja of vis aan voor schadelijke parasieten en gaat er de strijd mee aan. Die strijd tegen onschuldige levensmiddelen maakt de patiënt ziek als die ook maar een klein beetje van dat levensmiddel binnenkrijgt.

Voedselallergie was niet mijn specialisme en ik heb in die commissie veel geleerd. Ik heb zelf ook iets ingebracht: ik wou in ons rapport hebben hoeveel mensen er per jaar ernstig ziek worden door voedselallergie of er aan sterven. Ik vermoedde dat het minder was dan veel mensen denken. Er bleken geen goede cijfers over te bestaan, maar met wat aannames kwamen we toch tot redelijk betrouwbare schattingen. Eén tot drie miljoen Nederlanders denken dat ze allergisch zijn voor bepaalde voedingsmiddelen, maar van hen is slechts één op de tien dat echt. De rest krijgt zijn buikpijn of uitslag door iets anders. Het aantal ziekenhuisopnames voor voedselallergie is enkele tientallen of honderden per jaar en het aantal sterfgevallen één of enkele. Nog altijd te veel, maar wel een stuk minder dan de meeste mensen denken.

Toen het rapport af was bood het ministerie ons een etentje aan. De vertegenwoordiger van de minister vertelde dat ze blij was met het rapport. Immers het probleem was kleiner dan ze hadden gedacht, dus hoefden ze geen geld uit te trekken voor extra onderzoek. Daar was ik niet op uit, en het vormde voor de allergieonderzoekers in de commissie bepaald geen beloning. Ik weet ook niet of ons advies dankzij mijn bemoeiingen meer werd geloofd. Maar het kwam wel dichter bij de waarheid.

Voor bronnen zie www.mkatan.nl