Tientallen eieren in 's werelds oudste dinocrèche

De schaal is dun en breekt snel. Het eerste wat de piepjonge dinosaurus ziet als hij uit het ei is gekropen, zijn tientallen soortgenootjes, allemaal even jong en klein als hijzelf. Met hun pootjes laten ze afdrukken achter in de modder. Later komt de droogte, maar nu is de wateroever nog koel en groen. De ideale dinocrèche.

Maar soms gaat het mis. Dan treedt de rivier of het meer buiten zijn oevers, en raken de eieren bedolven onder dikke lagen modder.

Dat is wat er 190 miljoen jaar geleden moet zijn gebeurd. Paleontologen hebben in Zuid-Afrika tientallen versteende eieren ontdekt (Proceedings of the National Academy of Sciences, 25 januari). Tien complete nesten vonden zij in de rode rotsen van ‘Rooidraai’. Daarmee is dit de oudst bekende verzameling van dinonesten. Van sommige eieren zijn zelfs de embryo’s bewaard gebleven.

De paleontologen denken dat de eieren en embryo’s toebehoren aan de dinosaurussoort Massospondylus, een vroege verwant van de langnekdinosauriërs. Deze dieren waren nog niet zo gigantisch als latere soorten. Een volwassen dier woog ongeveer 100 kilo en was iets groter dan een mens.

In Rooidraai was al eerder een versteend legsel gevonden, in 1976, maar niemand wist waar dat nest precies vandaan kwam. In 2006 keerde een expeditie terug naar Rooidraai, om daar tien legsels bloot te leggen. Het grootste legsel bestaat uit 34 eieren.

Omdat de eieren in verschillende aardlagen gevonden zijn, is het waarschijnlijk dat moeders hier seizoen na seizoen hun eieren hebben gelegd. Alle gevonden eieren liggen dicht en ordelijk bij elkaar. De onderzoekers denken daarom dat de ouders de eieren na het leggen rangschikten, ook al vonden ze hiervoor geen bewijs in de bodem. Misschien verleenden de ouders zelfs broedzorg aan hun nageslacht.

Sommige krokodillen en vogels hebben ook gezamenlijke legplaatsen waar zij jaarlijks terugkeren. Misschien is dit nestgedrag dus typisch voor álle dinosauriërs, schrijven de onderzoekers. Een andere mogelijkheid is dat dit gedrag onafhankelijk in krokodillen, vogels en dinosauriërs is geëvolueerd.

Uit de zandlagen leiden de onderzoekers af dat het om een droog gebied ging, dat regelmatig overstroomd werd. Zij vonden zowel uitgedroogde bodemscheuren als versteende sporen van kabbelend water. In de Jurassische modder lieten vissen zwemsporen achter, en pasgeboren dino’s pootafdrukken. Zo zagen de onderzoekers dat jonge Massospondylussen op vier poten liepen, terwijl hun ouders tweepotig waren.

Lucas Brouwers