Signaaleiwit in hersenen verergert parkinson

Een eiwit in de hersenen verergert de symptomen van de ziekte van Parkinson bij muizen. Dat ontdekten onderzoekers van de Gladstone Institutes in San Francisco. Parkinson is het gevolg van het verdwijnen van dopamineproducerende cellen in de hersenen. Zodra het gehalte aan dopamine daalt, neemt de activiteit van dit eiwit toe. Bij muizen waarin het eiwit ontbreekt, blijven de voor parkinson kenmerkende motorische afwijkingen echter uit. Het eiwit heet RGS4 en is al langer bekend als signaaleiwit in de hersenen. Dat betekent dat medicijnen die de activiteit ervan afremmen, de belangrijkste symptomen van de ziekte kunnen onderdrukken (Neuron, 25 januari).

Of dit onderzoek inderdaad tot een nieuw medicijn gaat leiden, hangt ondermeer af van de vraag of andere processen waar RGS4 bij betrokken is, straffeloos kunnen worden verstoord.

Aan een dergelijk medicijn is wel grote behoefte. Parkinsonpatiënten worden normaal gesproken behandeld met het middel levodopa, dat in hersenen kan worden omgezet in dopamine. Doordat het aantal cellen dat deze omzetting kan uitvoeren geleidelijk afneemt, wordt levodopa in de loop van de tijd steeds minder effectief. Wat dan nog rest zijn de zeer ingrijpende diepe hersenstimulatie of nog in de kinderschoenen staande behandelingen als stamcel- of gentherapie.

De onderzoekers kwamen de rol van RGS4 op het spoor bij een onderzoek naar de rol van een bepaald hersendeel, het striatum, bij de coördinatie van bewegingen. De planning en uitvoering van bewegingen in de hersenen is complex en het striatum speelt daarin een centrale rol. Daarbij is het ondermeer afhankelijk van signalen uit een ander deel, de substantia nigra. En het is uitgerekend daar dat het verlies aan dopamineproducerende cellen het grootst is. Nadat zij hadden vastgesteld dat de activiteit van RGS4 enorm toeneemt als de aanvoer van dopamine afneemt, gingen de onderzoekers na of deze verandering ook van invloed was op de symptomen van parkinson.

Daarvoor gebruikten ze een muizenmodel van de ziekte, waarbij de diertjes een middel wordt toegediend dat dopamine wegvangt. Ze gaan dan ongecoördineerd bewegen en zitten vaak langere tijd verstijfd in hun hok. Bij muizen die zodanig waren gemanipuleerd dat RGS4 ontbrak traden deze afwijkingen niet of nauwelijks op. Zelfs bij extreem lage dopaminegehalten bleven ze nagenoeg normaal bewegen. Zo konden ze zonder noemenswaardige problemen over een soort evenwichtsbalk lopen, iets waar niet gemanipuleerde, zieke dieren vaak niet eens aan begonnen.

Huup Dassen