Schreeuwen, pochen en dreigen in Zaltbommel

Twee jaar geleden kwam Jamal Challiui als jongerenwerker naar Zaltbommel voor de Marokkaans-Nederlandse jongens. Met strenge regels leert hij hun kennis te maken met een andere wereld. „Ik word niet betaald om leuk te zijn.”

‘Je zoekt de leider in een groep. Daar ga je op af en die geef je een hand. Je noemt jezelf geen jongerenwerker. Je babbelt wat. Zij doen de rest. ‘Hé lul, die gast komt hier werken’.” Binnen een paar dagen wist de jeugd van Zaltbommel dat er een nieuwe jongerenwerker was. Jamal Challiui. Een Marokkaan.

Dat was eind 2009. Nu, twee jaar later, is Jamal weg. Weggereden in zijn lichtblauwe Mercedes met zachtbeige bekleding. Hij komt niet meer terug.

De gemeente Zaltbommel weet dat. Op de raadsvergadering vorige week donderdag viel het doek voor het jongerenwerk. De subsidie voor stichting Orion, die het jongerenwerk in Zaltbommel sinds veertig jaar organiseert, gaat van 245.000 euro per jaar naar 25.000 euro komend jaar. Voor het jeugdwerk is geen geld meer. Jamal Challiui zag dat aankomen en nam ontslag.

De jongeren zijn er nog wel.

November 2009

, pepernoten bakken in De Kantine

Ruim twee jaar geleden bakten ze pepernoten in De Kantine, een voormalige voetbalkantine tussen de sportvelden buiten het dorp. Het is een van de twee jeugdhonken van Orion. Jamal Challiui werkt er dan net als meewerkend leidinggevend jongerenopbouwwerker. Een grote open ruimte met een bar en een zithoek. Jamal, in houthakkershemd, heeft tafels tegen elkaar geschoven en legt daar een stapel bakblikken op. Een rijtje jongens zit aan tafel. Elk kneedt in een bak een bonk deeg. Vijf jongens hangen op de bank, zij hebben geen zin in bakken. Ze schreeuwen naar elkaar. „Kan het wat stiller”, roept Jamal. Alle bezoekers van De Kantine, ook de pepernotenbakkers, zijn Marokkaans-Nederlandse jongens tussen de 10 en de 18 jaar. Er zijn geen autochtone kinderen en geen meisjes. Er zijn twee autochtone stagiairs. Het geschreeuw op de bank stopt niet.

„Jullie kunnen bolletjes maken”, zegt Jamal tegen de pepernotenbakkers. Hij loopt naar het groepje op de bank en vraagt ze te stoppen met schreeuwen. Heel even is het stil. Dan zwelt het gekrijs weer aan. Als hij een bakblik invet, krijgt hij een stuk deeg tegen zijn achterhoofd. Pok. Hij draait zich om en zegt rustig tegen de groep jongens: „Nu gaan jullie over een grens. Naar buiten!”

Geloei stijgt op. Het is pikdonker buiten, de regen valt met bakken uit de hemel. „Het regent, Jamal.” Jamal wacht. Tergend langzaam trekken de jongens hun zwarte jacks aan en stappen de regen in. Jamal legt de jongens aan tafel uit hoe groot de pepernoten mogen worden. „Jullie krijgen zo warme chocolademelk”, zegt hij. Het gebonk op de ramen negeert hij. Het houdt na een tijdje op.

Na een kwartier mogen ze binnenkomen, druipend van de regen. Er is niemand vertrokken.

De bezoekers van De Kantine zijn de afgelopen jaren veranderd. Eerst waren de jongens allemaal wit, ze kwamen uit Zaltbommel en de omliggende dorpen. Toen kwamen de Marokkaanse jongens. Het zijn de kinderen van Marokkanen die in de jaren tachtig werk vonden in de steenfabrieken, de scheepsschroevenfabriek en de kassen. De autochtonen verdwenen. Een stagiair wordt na het werk door zijn vader opgehaald. De jongen fietst naar huis, zijn vader rijdt er in de auto achteraan.

Jamal kwam naar Zaltbommel voor de Marokkaans-Nederlandse jongens. Het vestingstadje aan de Waal (11.000 inwoners, ongeveer 1.000 van Marokkaanse afkomst, de rest voornamelijk autochtoon) kampt al jaren met een groep van ongeveer vijftig jongeren van Marokkaanse afkomst die overlast veroorzaken. Net als in Gouda, Tiel, Culemborg. Ze hangen in groepjes rond, maar er zijn ook bedreigingen, vernielingen en diefstallen. Een harde kern van ongeveer twintig jongens die strafbare feiten plegen, is voor de politie. Jongerenwerkers richten zich op de broertjes, de neefjes, de meelopers. Ze proberen hen binnen te krijgen en te houden.

Ik heb Jamal kort voor zijn komst naar Zaltbommel ontmoet. Hij is dan 28. Hij valt op door zijn no-nonsensaanpak. Hij heeft strenge regels. Zullen ze hem accepteren? Kan hij wat betekenen voor de Marokkaans-Nederlandse jongens?

Ruim twee jaar lang volg ik hem. Een jongerenwerker, leer ik, laat jongeren kennismaken met een andere wereld dan die van henzelf. De kwestie is: gunnen ze het zichzelf?

Eind december 2009, op winterkamp in de sneeuw

Anderhalve maand na het pepernoten bakken organiseert Orion een winterkamp voor de jeugd van Zaltbommel. Jamal Challiui is mee, met drie collega’s: teamleider Judith Pennings, jongerenwerkers Aliya el Alami en Joost Moors, en drie stagiairs. Ze begeleiden zestien jongens en meisjes tussen de tien en zestien jaar: zeven Marokkaans-Nederlandse jongens, zeven autochtone meisjes, twee autochtone jongens. Die verblijven in een blokhut in de bossen bij Driebergen. Schrootjes langs de muur, plavuizen op de grond. Een jongens- en een meisjesslaapzaal met metalen stapelbedden en geplastificeerde matrassen. Een klein kamertje voor een deel van de leiding.

Buiten is het om vijf uur aardedonker. De sneeuw ligt 30 centimeter hoog. Jongerenwerker Joost Moors: „Ik ben bang dat mijn wenkbrauwen worden afgeschoren als ik ga slapen. Daar hebben een paar jongens mee gedreigd.”

Judith Pennings: „Ga dan bij de meisjes liggen.”

Jamal Challiui: „Dat lijkt me niet verstandig, dan ben je de komende jaren een loser.”

Een meisje staat in de deuropening van de meisjesslaapzaal: „Yussuf roept gore dingen door het gat. Iets over neuken.”

Tussen de jongens en meisjesslaapzaal zit een gat in de muur.

Jamal staat op en loopt naar de jongenskamer. „Yussuf, matras en slaapzak meenemen, jij komt bij ons liggen.”

Yussuf protesteert. Appie komt naar buiten en zegt dat er alleen maar namen door het gat werden geroepen. „Kan me niet schelen”, zegt Jamal. „Ik wil dat er helemaal niet wordt geroepen. Yussuf, schiet een beetje op.” Mopperend sleept Yussuf zijn matras naar de gemeenschappelijke ruimte. Met een schuin oog houdt hij Jamal in de gaten.

Regels spelen een hoofdrol tijdens het kamp. Bij binnenkomst zijn ze opgesteld, door Jamal en kinderen. Ze hangen in grote letters op een papier aan de muur. Geen grote mond / Niet schreeuwen / Niet schelden / Geen sneeuwballen naar binnen gooien / Niet zonder toestemming naar buiten / Geen jongens bij de meisjes, geen meisjes bij de jongens / Niet vechten / Niet een ander uitlachen / Niet pesten / Niet springen op de bedden / Elkaar niet wakker maken voor negen uur. We moeten ongeoorloofd gedrag bijschaven, vindt Jamal. Klein beginnen: „Voeten van de bank. Nu!” Het kost tijd, maar het kan wel.

Jongeren zijn jongeren, zegt Jamal. „Je moet ze met respect benaderen en keihard zijn als ze lopen te kloten. Dat is niet altijd leuk, maar ik word niet betaald om leuk te zijn.”

Schreeuwen, pochen en dreigen, zegt Jamal later, is om aandacht te trekken. „Ze willen zo graag ergens mee pronken, maar ze hebben niets. Ze worden thuis niet gestimuleerd om iets te bereiken. Je moet geleerd hebben om na te denken.”

Hij praat erover met de jongens. Hij neemt ze apart, dan luisteren ze beter. Maak wat van je leven, zegt hij. Met discipline en doorzettingsvermogen kan je veel bereiken. Jij ook. Een opleiding, een baan, uiteindelijk misschien een BMW. Je moet het willen.

En hij probeert de vaders van elke jongen te spreken. Collega Aliya el Alami kent alle moeders. Ze gaan bij ze langs. Zo hebben ze zicht op het gezin. Hun gemeenschappelijke Marokkaanse achtergrond wekt vertrouwen. „Ze weten bijvoorbeeld dat ik weet dat meisjes en jongens niet zonder begeleiding alleen mogen zijn”, zegt Jamal. „En ze accepteren het als ik zeg: misschien is huiswerkbegeleiding iets voor uw zoon.”

Kinderen hebben structuur nodig, vindt Jamal. Die structuur moeten ze van hun ouders meekrijgen, zegt hij. Zelf groeide hij op in Vlaardingen, in een gezin met negen kinderen. Iedereen moest voor het avondgebed thuis zijn. In de winter om vijf uur. Zijn broers en zussen hebben allemaal gestudeerd en hebben allemaal een goede baan. Zijn vader werkte veertig jaar bij dezelfde baas. Hij was nooit ziek.

Februari 2010, nog voor het carnaval

Marokkaans-Nederlandse jongens voelen dat er op hen wordt gelet. Autochtone buurtbewoners lieten struiken bij een pleintje snoeien omdat er Marokkaanse jongens achter kunnen liggen. Een autochtone jongen van 18 spreekt op een bijeenkomst voor jongeren in Orion over „Marokkanen en normale mensen”. Het zijn twee werelden die elkaar niet kennen en niet vertrouwen.

Jamal Challiui denkt dat hij een brug kan slaan tussen allochtone en autochtone jongeren. Dat is hem eerder gelukt in Vlaardingen, Rotterdam en Den Haag waar hij werkte. Als ze elkaar leren kennen, zien ze wat hij ziet. „Dat die Marokkaanse jongens hetzelfde zijn als de blanke jongens uit de Bommelwaard die met wat pilsjes te veel op ook uit hun dak kunnen gaan.”

Na een paar maanden wordt Jamal minder streng. Op een avond in februari 2010 spelen de jongens kaart. De sfeer is rustig. Buiten rollen mannen in grijze stofjassen vaten bier over de straat naar de cafés. Zaltbommel maakt zich op voor het carnaval. Het is het feest der feesten in Zaltbommel, zegt Jamal. Iedereen doet mee. Behalve de Marokkanen. Vanuit de gemeente komt het verzoek of ook de jongerenwerkers zich verkleden met carnaval. Jamal weigert. Een politieman verkleedt zich toch ook niet? Hij weet precies hoe het zal gaan. De Marokkaanse jongens mogen niet naar binnen bij de feesten omdat ze niet verkleed zijn. Zij zullen zeggen: „Wij zijn wel verkleed, als Marokkaan.”

Jamal wil ellende voorkomen. Hij heeft een oldtimer-bus geregeld. Daarin wil hij met zijn jongens in de carnavalsoptocht meerijden. Ze zullen snoep uitdelen aan het publiek. En een kleurige flyer. Hij heeft de tekst op de flyer net bedacht: ‘Ik geef u een snoepje als groet / En niet omdat het moet / Het komt uit een goed hart / Al is het wel apart / Omdat ik u waardeer / Is het ook een eer.’ Jamal kijkt tevreden.

Het was een succes, vertelt hij na afloop. „De jongens vonden het geweldig en het publiek ook.” Een autochtone mevrouw gaf een van de jongens een kus op zijn wang, zag hij. „En een meneer zei tegen een andere jongen: ‘Goed zo, mijn kind’.”

Na het carnaval,

februari 2010, de pleuris breekt uit

Dan breekt de pleuris uit in Zaltbommel. Drie keer rijdt Jamal midden in de nacht naar Zaltbommel. Wat is er gebeurd? Twee jongens hebben iets gestolen in de plaatselijke supermarkt. De politie zoekt de daders – zwarte jas, spijkerbroek, scooter – in het Marokkaanse buurthuis Al Amal, dat gevestigd is in het oude schoolgebouw, net als het tweede jeugdhonk van Orion, de Chill. Volgens de politie worden zij daar uitgescholden. Volgens de Marokkaanse jongens zegt een van de agenten tegen een jongen: ‘Jij lijkt op de boef.’ Waarop hij zou hebben geantwoord. ‘Jij lijkt op een hoer.’ Het gehele gebouw wordt ontruimd. „De sfeer is extreem gespannen”, zegt Jamal. Er worden auto’s vernield. Jongerenwerkers en Marokkaanse buurtvaders proberen samen de jongeren te kalmeren.

Twee dagen later worden twee Marokkaans-Nederlandse jongens opgepakt en vastgezet. Weer hangen groepjes boze Marokkaanse jongeren in het centrum en in de wijk De Vergt. De burgemeester wordt ernstig bedreigd en moet worden beveiligd. Weer rijdt Jamal naar Zaltbommel. Twee dagen later kwamen ze vrij. Ze zijn niet de dieven.

De gemeente wil de jongeren die overlast geven harder aanpakken. Orion mag alleen nog jongeren tot achttien jaar toelaten en niet langer tot ver in de twintig. De jongerenwerkers moeten criminele jongeren weigeren. Jamal is woedend: Hij wil er voor alle jongeren zijn. Ook een negentienjarige heeft hij liever binnen dan buiten. En natuurlijk horen criminele jongeren in de cel en niet in een jongerenhonk. Maar hoe weet hij nou of iemand crimineel is? Moet hij zo’n gast dan om zijn strafblad vragen?

Een paar weken later wordt het oude schoolgebouw in het centrum afgebroken. Orion raakt een van de twee jeugdhonken kwijt. Alle activiteiten voor jongeren, in de praktijk Marokkaanse jongens, zijn voortaan in De Kantine. Buiten het dorp.

November 2010, wethouder is op multicultureel festival

In november 2010 is er een multicultureel festival in Zaltbommel. CDA-wethouder Ton van Balken spreekt over integratie. Hij is net in Schotland geweest, vertelt hij. Daar groet iedereen elkaar. Dat wil hij ook in Zaltbommel. „Als wij Bommelaren iemand tegenkomen uit een ander land, dan moeten we hem groeten.” Een Marokkaanse vrouw in het publiek: „Zijn wij geen Bommelaren dan?” De wethouder herstelt zich: „Als twee culturen elkaar ontmoeten, dan groeten ze elkaar.”

Als ik op staat loop dan groeten de Marokkanen mij niet, legt de wethouder later uit. „Ik groet eerst hen, dan zij mij. Zij moeten ook eens het initiatief nemen. Dan werk je aan een stukje imagoverbetering.”

Marokkanen, zegt hij ook, hebben een cultuur van bij elkaar staan in groepjes. Dat komt bedreigend over. „Daar moet de Marokkaanse gemeenschap zich bewust van zijn. Daar moeten ze iets aan doen. „Laat ik het maar eerlijk zeggen. Op straat voelen mensen zich niet altijd meer veilig.”

Wethouder Van Balken zegt ook: „Als je met elkaar in gesprek komt, dan merk je dat er veel aardige mensen tussen zitten.”

De jongens worden gezeglijker. Een paar nieuwe gezichten, maar de groep Marokkaans-Nederlandse jongens van het pepernoten bakken blijft meedoen aan de activiteiten. Ze vinden het leuk, zeggen ze. De sfeer bij het loempia’s maken is aanzienlijk relaxter dan een jaar geleden. Er wordt niet geschreeuwd, iedereen doet mee.

Yussef, Emin en Yassin werken alledrie na schooltijd bij een aardbeienplukker. Bakjes klaarzetten op de pallets en plukken. Dat kunnen ze razendsnel, vertellen ze trots. Ze sparen voor autorijles. Ze hebben alledrie een geldbuideltje aan een koordje schuin over de borst hangen. Die van Yassin met Louis Vuitton-print.

We beginnen met handen wassen, roept Jamal. „En als je Prada-broekjes en -jasjes niet vies mogen worden, dan doe je een schort voor. Wie gaan er uien snijen? Zonder uien geen loempia’s. Vier vrijwilligers graag.”

„Hé Jamal, heb je geen scherper mes?”

„Dat mes is goed, je gaat geen schaap slachten.”

Een stagiair roert een pan vol gehakt los.

Jamal: „Wie snijdt de courgette in blokjes?”

„Hoe moet dat, Jamal?”

„Hoe bedoel je: hoe moet dat? Snijden is snijden. Blokjes zijn blokjes.”

„Heb je chilisaus Jamal?”

„Zeker.”

„Mogen we even roken, Jamal?”

„Tuurlijk, buiten.” Hij pakt een grote zak diepvriesdoperwten en gooit ze in een pan. „Yussef, haal jij de eieren even?”

Twee jongens snijden olijven. Zij zijn twaalf en zijn er voor het eerst. Yassin vraagt of hij een cd kan opzetten.

Jamal: „Goed, maar als het rare teksten zijn gaat-ie uit.”

Voorjaar 2011, er is een probleem, dat wist iedereen al

De overlast op straat door Marokkaans-Nederlandse jongens blijft. Sommige bewoners voelen zich onveilig als ze een groepje Marokkaanse jongens zien staan. Maar er zijn ook klachten over schelden en vernielingen. In de gemeenteraad wordt steeds vaker gesproken over extra politie, straatcoaches, cameratoezicht, gebiedsverboden, stevige straffen. De gemeente vraagt een onderzoeksbureau de jeugdgroepen in Zaltbommel in kaart te brengen. Als je weet welke groepen er zijn, kan je ze beter aanpakken, is het idee.

In het voorjaar 2011 komen de resultaten. Er zijn twee hinderlijke groepen, een overlastgevende en een criminele groep. In de woorden van Jamal is hinderlijk: in een grotere groep luidruchtig voor de plaatselijke supermarkt hangen. Overlastgevend is: ‘kuthoer roepen’ naar langslopende dames. En crimineel is: vernieling, geweld en drugshandel. De jongerenwerkers kennen de verschillende groepen en de leden. Ze hadden de groep criminele jongeren altijd al rond de twintig geschat.

Er is dus een probleem. Maar dat wist iedereen al.

Heeft Jamal als jongerenwerker bijgedragen aan de oplossing?

In de herfst van 2011 kijkt Jamal terug op de afgelopen anderhalf jaar in Zaltbommel. Hij zit op een bankje aan de Waal. Toenadering tussen allochtonen en autochtonen ziet hij niet. In Zaltbommel ben je nog steeds óf een Nederlander, óf een Marokkaan. „Hoe meer Marokkanen, hoe meer problemen. Dat is de sfeer. Dat werkt negatief. Marokkaans-Nederlandse jongens wordt zonder reden op straat om een legitimatie gevraagd. „Ik noem dat treiteren.”

De jongeren zijn beter aanspreekbaar, vergeleken met anderhalf jaar geleden. „Je kan gewoon met ze praten. Ze luisteren.” Hij denkt dat het jongerenwerk daaraan heeft bijgedragen. Maar hoe bewijs je dat? Daar moet je in geloven.

De meeste gemeenteraadsleden doen dat niet, denkt hij. Hij zat vaak genoeg bij een raadsvergadering als het ging over het jongerenwerk. Vooral christelijke raadsleden uit de dorpen rond Zaltbommel zijn niet bekend met jongerenwerk. „Zij kennen alleen jongerenactiviteiten die de kerk regelt. De teneur is vaak: geven we daar ons goede geld aan uit? Loempia’s bakken doen ze maar thuis”, zegt Jamal. „En vervelende jongens moeten gewoon straf hebben.”

Jamal lijkt het nuttiger en goedkoper om de rotzooi te voorkomen. Daarvoor zijn jongerenwerkers nodig die de jongeren écht kennen. Die weten dat jongen 1 pillen slikt, jongen 2 drugs gebruikt, jongen 3 grote problemen thuis heeft, jongen 4 constant spijbelt en jongen 5 graag op straat hangt maar wel zijn huiswerk maakt. „Probeer ze binnen te halen en blijf in gesprek. Juist die groep vanaf een jaar of vijftien, zestien moet je niet loslaten.”

Eind 2011, geen jeugdhonk meer voor 12- tot 16-jarigen

De Marokkaans-Nederlandse jongeren vanaf een jaar of zeventien, willen graag een eigen jeugdhonk. De gemeente werkt mee. Het wordt De Kantine, het jeugdhonk van Orion. Vrijdag-, zaterdag- en zondagavond mogen ze er gebruik van gaan maken. Precies die avonden dat Orion er activiteiten organiseert. Orion raakt haar tweede jeugdhonk kwijt.

Voor de gemeente is het een goedkope oplossing, omdat een vijftal jongeren de plek zelf gaat beheren. Jongerenwerkers zijn niet meer nodig. De gemeente vindt het een goede zaak dat de jongeren op hun verantwoordelijkheidsgevoel worden aangesproken. Zij veroorzaken overlast, dus is het goed als ze er zelf wat aan doen. Elke jongen die in De Kantine zit, hangt niet op straat.

Eind 2011. In De Kantine komen Marokkaans-Nederlandse jongeren vanaf een jaar of zeventien. Ze kaarten en kletsen. Ze drinken fris en eten chips. Af en toe neemt de wijkagent een kijkje. Het is er over het algemeen rustig.

Het beheer van de kantine door vijf jongeren mislukt. Er komt te veel bij kijken. Er moeten drank en snacks worden ingekocht, de kosten moeten worden bijgehouden, vuilnis moet in de container, er moet schoongemaakt worden. Twee jongens gaan dat doen naast hun hbo-studie. Ze hadden activiteiten willen organiseren, maar dat lukt niet. Iedereen heeft het te druk.

Begin 2012 hebben de twee jongens een allochtone beheerder gevonden die De Kantine runt, als vrijwilliger naast zijn uitkering. De jongens komen er graag, ze hebben hun eigen plek.

Voor jongeren tussen 12 en 18 jaar is er niets meer.

Yassin vindt dat jammer. Hij kwam naar De Kantine om pepernoten te bakken. Hij ging mee op winterkamp. Hij is nu zeventien en denkt dat het goed is dat er de afgelopen jaren een plek voor hem was om naar toe te gaan. Op straat wordt hij nog altijd nagekeken, vertelt hij. Maar hij zit een leuke klas waarin het niet uitmaakt dat hij Marokkaan is. Er zit een meisje in zijn klas dat zelfs van alles wilde weten over de Marokkaanse cultuur en zo. Hij werkt als hulpkok in het Argentijnse restaurant Máxima in het dorp.

Jamal heeft hem geholpen een eigen weg te vinden, zegt hij.