Koot en Bie graven zich autobio in documentaire

Van Kooten en De Bie sloegen weer toe! Documentaire in drie delen, elke zondagavond op Nederland 3, vanaf 5 februari.

‘We zijn nu zelf de gebroeders Temmes geworden”, zegt Wim de Bie. En inderdaad: met de zachte, witte haren boven het milde gelaat lijken krasse knarren Kees van Kooten (70) en De Bie (72) steeds meer op de bejaarde broers die ze ooit speelden.

Voor wie er gevoelig voor is, wordt dit een ontroerend en historisch moment: na al die jaren komen Van Kooten en De Bie weer samen op televisie. In de driedelige documentairereeks Van Kooten en De Bie sloegen weer toe! van Coen Verbraak, vanaf 5 februari op televisie, praten de komieken over hun leven en werken, gelardeerd met vele sketches van weleer.

Nooit eerder werkten Van Kooten en De Bie mee aan zo’n uitgebreide beschouwing over hun levenswerk. De televisiewerken van Van Kooten en De Bie zijn ruimhartig op dvd uitgebracht, maar een making of zit er niet bij. In het uitventen van hun producten hebben de komieken zich altijd prudent opgesteld. Nu gaven ze Verbraak twintig draaidagen de tijd om hen te leren kennen.

De documentaire is een monument geworden voor Van Kooten en De Bie, die met hun hoogstaande satire een tijdperk hebben gekleurd. Ze waren van 1969 tot 1998 op tv, vanaf 1974 met een eigen programma.

Verbraak bouwt zijn documentaire op rond interviews met de twee, als duo, apart, wandelend op locatie: rond het huis van Van Kooten waar veel opnames plaatsvonden, in het Den Haag van hun jeugd. Deel één schetst hun jeugd. Deel twee gaat diep in op hun werkwijze. Deel drie behandelt de late jaren.

Ontroerend om ze weer samen aan de tafel te zien, licht bejaard maar in wezen onveranderd. Als vanzelf schieten ze weer in de oude routine. Als Van Kooten – de gangmaker, het baasje – het hoogste woord voert, zie je De Bie – de subtielere, de underdog – met zijn sceptische hoofd en lange lijf commentaar geven, nuanceren en een geamuseerd ‘tut tut’ mimen.

Zo legt Van Kooten uit dat Den Haag is verdeeld door de Laan van Meerdervoort: daarboven woont de chic. Daaronder het volk. Volgens Van Kooten kende hij het volk goed omdat hij onder de Laan van Meerdervoort woonde. De Bie, zegt hij, woonde erboven. De Bie, die al een tijdje gezichten trekt, grijpt nu in: hij woonde ook ónder de Laan van Meedervoort. Wat volgt is een aardig steekspel over wie er meer volks is.

Mooi zijn de scènes waarin ze persoonlijk worden. Dwalend door de oude Daltonschool waar ze elkaar voor het eerst troffen. Verbraak weet de terughoudende mannen opvallend veel te ontlokken. De Bie toont zich het meest open, Van Kooten verschuilt zich al gauw achter zijn charmante façade.

De Bie blijkt, net als een van zijn typetjes Walter de Rochebrune, te wonen in een tuinhuis. Niet bij zijn moeder in de tuin, maar midden in de duinen. Net als De Rochebrune, maar ook types als meneer Foppe, leraar Duits Otto den Beste, geeft De Bie de voorkeur aan afzondering. Een handicap waarmee zijn ouders hem hebben opgezadeld: omdat er thuis nooit ruzies en spanningen waren, kan hij daar nog steeds niet mee omgaan. Hij vertelt over zijn vader: een relatie zonder woorden, met een blik gaven ze aan „dat het goed zat”.

Van Kooten geeft toe dat Cor van der Laak, de betweter, op zijn eigen vader is gebaseerd. Hij doet eventjes zijn vader voor, opsnijdend over „dertig jaar schadevrij rijden” – precies Van der Laak. Nee, zolang zijn vader nog leefde, had hij nooit een Van der Laak kunnen spelen. „Dan had mijn moeder tegen hem gezegd: kijk Bill, dat ben jij.”

Deel twee van de documentaire gaat over hun werkwijze.

Ze schreven eerst alle teksten uit, eerst wanhopig alles verwerpend, maar ten slotte giechelend onder keukenlicht. Maar het woord werd pas vlees als ze voor de spiegel zaten bij meestergrimeur Arjen van der Grijn. Die was cruciaal, zo blijkt uit de documentaire. Je ziet Van der Grijn omringd door de vele pruiken, snorren en brillen die hij het duo opplakte. Als de komieken ze aanmaten, werd het personage pas geboren: stem, mimiek, loopje, gestiek. En ze wisten pas zeker dat het goed was als ze hun vaste cameraman Paul van de Bos achter de lens zagen schudden van het ingehouden lachen.

De Bie noemt in de documentaire de vrije jongens Jacobse en Van Es hun beste creatie. Van Kooten vond Jacobse en Van Es juist niet zo geslaagd. Ze waren alleen maar de doortrapte en de domme, ze hádden niets samen. De Bie: „Nou ja, Holleeder en Van Hout, daar zat ook niet veel warmte tussen.” Jacobse en Van Es hadden geen interessante relatie waardoor ze niet meer werden dan typetjes.

Een interessant onderscheid: de meest houdbare typetjes zijn inderdaad degene die los van de actuele satire een eigen leven kregen. Die iets hadden samen: De familie Van der Laak, de gebroeders Temmes, De beide daklozen Vieze Man en Walter de Rochebrune; Carla van Putten en haar nog thuis wonende zoon Frank („Daar ben ik voor behandeld”). En wat Van Kooten er ook van denkt, natuurlijk ook Jacobse en Van Es.

Blijvende kracht van de personages is hun herkenbaarheid. „Wij gingen uit van een minimale vertekening van de werkelijkheid’’, zegt Van Kooten. In tegenstelling tot een komiek als André van Duin, die juist uitgaat van de maximale vertekening, zegt Van Kooten. „Meneer Wijdbeens zul je op straat nooit tegenkomen, Cor van der Laak wel.’’