Hoofden die je ervaart als landschap

De Amerikaan Chuck Close is beroemd om zijn grote portretten. Opvallend voor iemand die aan gezichtsblindheid lijdt. „Als ik jou morgen weer ontmoet, herken ik je niet meer.’

Chuck Close praat non stop. Zonder op vragen te wachten vertelt hij over zijn werkwijze. Over de papierpulp die hij gebruikte voor het portret van zijn dochter Georgia. „Ik moest goed opletten dat de pulp op zijn plek bleef.” Over de vingerafdrukken die samen het portret vormen van zijn vriend Keith. Over de diagonale lijntjes voor het portret van Philip Glass. Over de stencils voor Roy Lichtenstein, de beeldend kunstenaar. Over zijn zelfportret dat, kijk maar, is opgebouwd uit tientallen tekeningen over elkaar in verschillende kleuren.

Allemaal portretten. Chuck Close (71) noemt ze liever ‘hoofden’. Omdat het er niet alleen om gaat wíe hij afbeeldt maar net zo goed om het hóe. „Ik houd zó van dit tapijt van Roy, met die delicate zwarte en witte draden die samen een beeld vormen”, zegt Close terwijl hij het weefsel laat uitrollen. „Ik heb het laten maken in België waar ze honderden jaren ervaring hebben. Wist je dat ze er vroeger langer over deden een tapijt te maken dan het schilderij waarop het gebaseerd is?”

In zijn elektrische rolstoel zoeft de kunstenaar alweer door naar de volgende serie portretten, in de grote ruimten van de Rotterdamse Kunsthal waar zijn werk wordt opgehangen voor de expositie die morgen opengaat. In 1988 werd Close getroffen door een beroerte. Aanvankelijk kon hij niets meer bewegen behalve zijn hoofd. Maar hij wilde per se doorgaan als kunstenaar. Tegen een vriend zei hij dat hij desnoods de verf op het doek zou spugen als het niet anders kon. Maar hij kreeg weer beweging in zijn armen en nu schildert hij met een kwast gebonden aan zijn nog verlamde vingers. Knap, zoveel doorzettingsvermogen? Misschien wel, maar Chuck Close wil er geen lof voor. „Ik wil worden gerespecteerd om mijn werk.”

De expositie die vandaag begint in de Kunsthal, met werk van 1972 tot nu, is de eerste van Close in Nederland. In de VS is hij een beroemdheid; zijn hoofden hangen in de National Gallery of Art in Washington en in het Museum of Modern Art en het Guggenheim in New York. Chuck Close portretteerde Bill Clinton en Kate Moss – allebei vrienden. Maar die zijn niet te zien op de expositie in Rotterdam want, zegt hij, dan zou het maar gaan om hun beroemdheid.

Gulliver

Close maakt portretten omdat hij in mensen geïnteresseerd is. „Ik houd veel van Cézanne, maar appels schilderen zoals hij zou ik niet kunnen.” Hij begon eind jaren zestig met een naakt van 6,5 meter. Maar dat was hem nog niet uitvergroot genoeg. Daarom beperkt hij zijn portretten sindsdien tot de hoofden. „Ze moeten je als kijker het gevoel geven van de Lilliputters in het boek van Jonathan Swift, die over het gezicht van Gulliver lopen. Ze struikelen over zijn neus en vallen in zijn neusgat. Ook in mijn werk moet je een gezicht ervaren als een landschap.’’

Ieder haartje, iedere porie en pukkel is zichtbaar. „Het is zo intiem”, zegt Close, „zo dichtbij kom je anders alleen als je met iemand vrijt.” Vanwege die nietsontziende details, zegt hij, haat iedereen die hij afbeeldt zijn eigen portret. „Maar dan zeg ik: over twintig jaar zul je er van houden.”

Close werkt nooit in opdracht. Hij kan geen mensen portretteren die hij niet leuk vindt. Zijn werk wordt vaak realistisch genoemd, hyperrealistisch zelfs. Vreselijk vindt hij dat. Goed, het is waar dat hij in de jaren zestig bewust niet voor abstracte kunst koos. „Anderen waren daar beter in.’’ Hij bewondert vooral Willem de Kooning. „Ik heb hem eens ontmoet en zei: ik heb meer De Koonings gemaakt dan jij. De kleuren in mijn schilderijen zijn typische De Koonings-kleuren.”

Zijn portretten zijn helemaal niet realistisch, zegt Close. Om te beginnen zijn ze veel groter dan levensecht, meters hoog soms. „Ik ruk mensen los van de manier waarop je ze gewoonlijk ziet. Zodat je ze op een nieuwe manier ziet; zo anders als maar kan.” Sommige van zijn schilderijen zijn opgebouwd uit kleinere, kleurige, abstracte werkjes. „Natuurlijk. In de schilderijen van Cézanne zitten toch ook abstracte elementen, bijvoorbeeld in de ruimte tussen de bomen.”

Op deze tentoonstelling wil Close vooral laten zien hoe hij werkt. Hij toont de verschillende stadia van uiteenlopende druktechnieken. „Als kind speelde ik voor goochelaar. Toen wilde ik ook altijd al mijn trucs onthullen. Ik weet dat mensen het fijn vinden om het proces te zien.” Close werkt samen met een team mensen die soms jaren bezig zijn met één werk. Maar hij houdt altijd toezicht. „Ik ben een controlfreak.” Dat blijkt wel als hij even later een zaal van de Kunsthal opnieuw laat inrichten omdat de werken volgens hem niet in de juiste volgorde hangen.

Labaratoriumproef

Zijn portretten maakt hij op basis van foto’s. Een en dezelfde foto van Philip Glass uit 1969 diende meer dan 150 keer voor nieuw werk. Hij gebruikt zo vaak dezelfde foto’s, zegt Close, omdat hij juist in de vorm wil variëren. „En dan moet je een constante hebben, zoals bij een laboratoriumproef. Het beeld is mijn constante. Anders zie ik niet hoe de vorm uitpakt.”

Er is nóg een reden waarom Close altijd portretten maakt. Hij lijdt aan gezichtsblindheid. „Als ik jou morgen weer ontmoet, herken ik je niet meer.” Iedere keer als een gezicht beweegt, ziet hij in feite weer een ander gezicht. Door zijn aandoening kan hij die niet met elkaar in verband brengen. Hij herkent gezichten alleen als ze plat afgebeeld zijn.

Daardoor kan hij ook niet beeldhouwen, terwijl hij dat het liefst zou doen. „Minimalistische beelden. Maar ik zou telkens vergeten dat er nog meer kanten aan een sculptuur zitten.” Hij zit er niet mee. „Je moet niet willen wat je niet kunt.”

Als je rondkijkt in de Kunsthal valt op dat hij vooral mannen heeft geportretteerd. Zijn vrouwen moeilijker? „Nou en of! Ik ben net na 47 jaar huwelijk gescheiden. O, bedoel je om te portretteren? Nee, dan niet.”

Uiteindelijk, zegt Close, is alle kunst een zelfportret. Hij werkt nu vooral aan portretten van vrouwelijke kunstenaars, zoals Laurie Anderson. Waarom nu vrouwen? „Die zijn op dit moment de beste kunstenaars. Dat is gewoon zo.’’ En weg zoeft hij.

Chuck Close prints, tot en met 20 mei, Kunsthal Rotterdam. Zondag geeft Close er een lezing, om 11.30 u. Inl. www.kunsthal.nl