Het verlangen nog altijd onvervuld

Leonard Cohen: Old Ideas. Verschenen bij Sony. Prijs 19.99 euro.

„Coming to the end of the book but not quite yet.” Met dit motto maakte de inmiddels 77-jarige Leonard Cohen zijn gisteren verschenen cd – en is hij al aan een volgende begonnen. De nieuwe cd heet Old Ideas, en dat mag belegen klinken, het is een typisch staaltje Cohen-relativering. Want de onderwerpen die hij bezingt – moeizame liefde, dood, wanhoop, vergiffenis – zijn nu eenmaal oud.

Deze thema’s vormen de kern van zijn oeuvre, al sinds het begin van zijn carrière. En dankzij die esthetische somberheid groeide Cohen uit tot boegbeeld van het duistere songschrijvers-gilde, waartoe ook Nick Cave en Lou Reed behoren. Maar tussen de zelfkastijding, het gesmeek en het zwaarmoedige geprevel door, valt ook steeds te grijnzen om Cohens rake humor en zelfspot. Het leven is moeilijk maar er is nog altijd een bitterzoet liedje over te maken, lijkt zijn vuistregel.

Hoogtepunt en sleutelnummer van de nieuwste cd is The Darkness, een lied waarin Cohen zijn toch al lage stem laat puffen en kraken als die van Bob Dylan. Getoonzet op een troostrijk schommelend bluesdeuntje, puft hij: „I’ve got no future, I know my days are few/ The present is not that pleasant/ Just a lot of things to do/ I thought the past would last me/ But the darkness got there too.” Als een mantra komt het besef van duisternis in ieder couplet terug.

Ook in de andere nummers blijft het verlangen onvervuld: dat naar een onbereikbare liefde in Anyhow, naar verlossing van demonen in Amen, naar zielenrust in Going Home.

Cohen schaaft eindeloos aan zijn liedjes: voordat zijn bekendste nummer Hallelujah (zie kader) zijn definitieve vorm kreeg, had hij acht notitieboeken met versies van de tekst, en een reeks verschillende opnamen van achter de rug. Nog altijd, vertelt hij in interviews, gaat het scheppen langzaam. Op Old Ideas leidde het schaven tot een sobere stijl. De melodieën zijn repetitief en gelijkmatig, zonder het gewelfde drama van bijvoorbeeld Hallelujah. In langgerekte coupletten voert Cohen ons langs zijn innerlijk leven. Ieder nummer, afgezien van het iets drakerige Come Healing, werd een afgewogen geheel van stem, instrumentatie en melodieuze fluctuatie, en van alles is precies genoeg.

Anders dan op eerdere cd’s gebruikte hij nauwelijks elektronica, dramatische koorzang, of orkestbegeleiding. Cohen laat zich hier omlijsten door schuifelende drums, Hammond-akkoorden die kreunend aanzwellen en een dienstbaar klinkende akoestische gitaar. Zijn zang heeft een mysterieuze kracht: donker en laag, inmiddels niet altijd meer gaaf, maar nog steeds met een timbre dat onmiddellijk tot luisteren dwingt. Ook als hij fluistert. Prachtig is de klarinet die in openingsnummer Going Home een melancholisch intro speelt, maar zwijgt zodra Cohen zijn keel schraapt en verzucht: „Going home, without my sorrow.” Maar de meester weet dat dat er voorlopig niet in zit.