Genocide als creatieve vernietiging

Zoals Michelangelo overtollig marmer verwijderde voor zijn beelden, vernietigden communisten en nazi’s de mensen die ongeschikt waren voor hun wereld, beschrijft Zygmunt Bauman.

Foto Forumlitfest / Wikimedia

De demonen die rondspookten in de twintigste eeuw, kwamen voort uit de vastberaden pogingen om de taak te voltooien waarop de moderne tijd zich van begin af aan had gericht: om een transparant en beheersbaar patroon in de chaos te brengen. Om orde te scheppen in de wereld van de mens, die tot dan toe ergerlijk ondoorzichtig en weerbarstig, verbluffend onvoorspelbaar en onuitstaanbaar recalcitrant was geweest: een volstrekte en onbetwiste orde.

Zo’n orde betekende de afwezigheid van alles wat overbodig was – door zijn nutteloosheid dan wel onwenselijkheid; van alles wat ongeluk teweegbracht of anderszins verwarrend en onprettig was – oftewel alles dat de onderwerping van de mensheid aan een volledige en ongehinderde controle in de weg stond. Uiteindelijk betekende dit dat het toegestane verplicht werd en dat de rest werd uitgebannen.

De overtuiging dat zo’n kunststuk uitvoerbaar, haalbaar, denkbaar is en binnen het menselijk bereik ligt, én de onweerstaanbare drang om naar die overtuiging te handelen, waren en zijn nog altijd het bepalende kenmerk van de moderniteit die aan het begin van de twintigste eeuw haar hoogtepunt bereikte. De moderne tijd was een reis naar de perfectie, naar een toestand waarin de pogingen om de wereld te verbeteren knarsend tot stilstand zouden komen, omdat elke verdere ingreep in de vorm van de mensenwereld haar alleen maar slechter kon maken.

Om dezelfde redenen was de moderne tijd ook een tijd van vernietiging. De poging perfectie te bereiken vroeg om het uitroeien, wegvagen en verwijderen van talloze mensen die vermoedelijk niet in de volmaakte orde der dingen zouden passen. Vernietiging was de kern van de schepping: de vernietiging van onvolkomenheden was de voorwaarde – voldoende en noodzakelijk – om de weg naar de perfectie te bereiden.

De pogingen om die droom te verwezenlijken waren te talrijk om hier op te sommen. Twee ervan onderscheiden zich echter van de rest door hun ongekende ambitieniveau en griezelige vastberadenheid. Beide verdienen gerekend te worden tot de meest volledige en verbijsterende versies van de ‘ultieme droom’: aan de norm die zij hebben gesteld worden alle andere pogingen – werkelijk of vermeend, uitgevoerd, beoogd of vermoed – afgemeten.

Hun nuchtere en compromisloze grondigheid zit in ons collectieve geheugen als het schoolvoorbeeld van alle latere vergelijkbare gevallen – hoe bot of verkapt en hoe vastbesloten of halfhartig ook. De twee pogingen in kwestie zijn natuurlijk die van de nazi’s en de communisten om voor eens en altijd en in één klap elk wanordelijk, ondoorzichtig, willekeurig en weerspannig element of aspect van de condition humaine uit te roeien.

Na grondige studie van de archieven van het nazibewind, houden Götz Aly en Susanne Heim het erop dat in de nazipolitiek het ‘moderniseringsbeleid’ en het ‘vernietigingsbeleid’ nauw verbonden waren. De nazileiding was vastbesloten om Europa na de militaire verovering ‘zo spoedig mogelijk nieuwe politieke, economische en sociale structuren’ op te leggen.

Een dergelijk voornemen betekende natuurlijk dat er geen rekening werd gehouden met historische ongelukken als de geografische ligging van etnische gemeenschappen en de daaruit voortvloeiende verdeling van natuurlijke hulpbronnen en arbeidskrachten. De essentie van macht is tenslotte het vermogen aan zulke spelingen van het lot voorbij te gaan. In een wereld die op bestelling en rationeel, volgens vooropgezette plannen wordt gebouwd, is geen ruimte voor tal van de restanten uit een toevallig verleden die ongeschikt of ronduit schadelijk zijn voor de nieuw vastgestelde orde der dingen.

Sommige bevolkingen moesten naar andere oorden worden gedeporteerd, waar hun mogelijkheden beter en voor andere doelen konden worden benut. Sommige andere waren ongeschikt voor alle denkbare winstgevende doeleinden en moesten daarom worden uitgezet of uitgeroeid, om plaats te maken voor de vestiging van personen die waarvoller waren.

SS-commandanten, overheidsdienaars, geleerden, technici en bestuurders waren allemaal verbijsterd over de grandeur van de pas veroverde en nog te veroveren gebieden, de schijnbare oneindigheid van hun potentiële vooruitzichten en de enorme omvang van de taken die een juiste benutting met zich meebracht.

Zoals de antropologen, artsen en biologen op ‘de genezing van het nationale lichaam’ wetenschappelijke criteria toepasten als raciale zuiverheid, gezondheid en dapperheid, maar ook isolatie en verwijdering van defecte (unwerte) personen en categorieën, zo voelden de economen, landbouwkundigen en planologen zich verplicht in de veroverde gebieden ‘de sociale structuur te zuiveren’.

Als een gebaar van een schilder die een vlek wegveegt waardoor de harmonie van een compositie werd verstoord, zo omschreef de Joods-Amerikaanse schrijfster Cynthia Ozick de holocaust. In het geval van de holocaust bestond die ‘vlek’ toevallig uit mannen, vrouwen en kinderen die niet in een bepaald beeld van de volmaakte wereld pasten. Maar elk soort volmaakte compositie zondert een aantal voorwerpen of wezens af die ongeschikt zijn om erin op te nemen.

Op de vraag hoe hij de perfecte beelden maakte die zijn handelsmerk waren, antwoordde Michelangelo naar verluidt dat zijn werkwijze de eenvoud zelve was: hij nam een blok marmer en hakte alle overbodige stukjes weg. De massaslachtingen van de twintigste eeuw waren oefeningen in ‘creatieve vernietiging’, beschouwd als onontbeerlijk voor de sociale hygiëne. Een chirurgische ingreep die nodig was voor de verbetering of het behoud van het leven of het voortbestaan van een land of kerk.

Min of meer tegelijkertijd (op de drempel van de Europese moderniteit) kwam een verwante gedachte op bij de mensen die vroom, met een mengeling van eerbied en jaloezie, naar de andere kant van de poreuze grens keken. Ze waren vol ontzag door wat zij zagen: het communistische idee waarmee op de renbaan naar de perfectie de moderne beschaving werd achtervolgd, ingehaald en achtergelaten.

Het vernederende besef in die wedloop te zijn gepasseerd spoorde aan tot urgentie, dreef tot haast en nodigde uit tot een versnelde strategie. Het bracht de noodzaak met zich mee om in de levensduur van één generatie samen te persen waar aan de andere kant van de drempel generaties lang over was gedaan.

En die uitverkoren generatie moest natuurlijk een enorme prijs aan pijn betalen om de pijnloze wereld in te luiden. Geen offer werd als excessief beschouwd als het werd afgezet tegen de bekoringen en de nobele aard van het einddoel. En geen enkel onderdeel van de bestaande werkelijkheid kon onschendbaarheid of vrije doortocht eisen op grond van zijn verdiensten uit het verleden, laat staan op grond van louter zijn aanwezigheid in de wereld. Het toegangsbewijs tot de wereld van de perfectie moest opnieuw worden verdiend. En natuurlijk had niet iedereen het recht om voor een kaartje in de rij te gaan staan: net als elk ander model voor een brave new world zou ook het communistische model niet compleet zijn geweest zonder een lijst afgekeurden aan wie de toegang werd geweigerd.

Anders dan het nazimodel wapperde de communistische variant met zijn universalistische geloofsbrieven en hield de wereld voor dat het doel de bouw van een huis voor de hele mensheid was. Des te belangrijker om voordat die bouw serieus begon, de mensheid te ontdoen van haar onzuiverheden, te weten al die onwelkome, ongenode en onbevoegde personen op de bouwplaats.

Het recept om de communistische volkenmoord te legitimeren verschilde van de rechtvaardigingen voor de slachtpartijen van de nazi’s, maar achter die verschillen in argumentatie school een gemeenschappelijk uitgangspunt. De communisten en de nazi’s vonden beiden dat het recht op leven niet universeel was, want sommige mensen verdienen het te leven en sommige anderen niet, en het verschil tussen hen werd bepaald door hun geschiktheid of ongeschiktheid voor de nieuwe en verbeterde orde.

Toch zou de toepassing van dit uitgangspunt ondenkbaar zijn geweest als dit moderne, al te moderne geloof niet geestdriftig zou zijn omarmd en tot zijn logische conclusies zou zijn gebracht door de beide varianten van het twintigste-eeuwse totalitarisme. Het geloof, zoals Hannah Arendt het verwoordde, in de menselijke almacht: de vaste overtuiging dat met het juiste soort organisatie alles te bereiken was.

Hoe komt het dat de zelfbenoemde, zelfverklaarde en zelfgeroemde rechters die zichzelf de bevoegdheid gaven om te oordelen over de menselijke onwaardigheid tot leven, niet al vroeg werden gestuit, zodra ze hun voornemens openbaar maakten, of later, toen ze in het felle licht de ladder van de macht beklommen? Een van de voornaamste redenen was de meestal stilzwijgende, maar al te vaak toch ook luidruchtige bewondering voor hun doelstellingen en praktijken, van veel grote en zeer gerespecteerde geesten van die tijd. Daardoor was er een opvallende weerklank tussen de speurtocht naar de volmaakte, totale en ultieme orde en het ‘progressieve denken’ uit die tijd.

De moderne geest riep in al zijn versies op tot oorlog tegen de wanorde van de condition humaine. Hij droomde van de ultieme zuiverheid en transparantie van de maatschappelijke orde. Hij stelde het idee van de perfectie zelfs gelijk aan de homogeniteit van het bestel en de verwijdering van elke verontreiniging.

Hij zou niet vrijwillig wijken voor de uiterste consequentie van zo’n ideaal: de noodzaak een mensenras dat hij ondraaglijk irritant vond ernstig terug te dringen (of beter nog: voorgoed een halt toe te roepen) en ieder die ervan werd beschuldigd zo’n ras in stand te houden voor terechtstelling aan te merken. Voor de moderne geest was de verwijdering van minder- of onwaardige elementen een scheppingsdaad en niet alleen de belangrijkste methode om orde te brengen, maar ook om af te rekenen met de chaos en de willekeur, de twee duivels verenigd in een uitputtingsslag tegen de goddelijke orde.

De visionaire nazi’s en communisten waren geen primitieve wilden die de moderne beschaving had verzuimd te beschaven, maar een voorhoede van het moderne leger die doordrong tot gebieden waarvoor andere eenheden van dat leger te voorzichtig, te scrupuleus, te laf of te slecht bewapend waren, of gewoon moed tekortkwamen voor hun hang naar avontuur.

Tussen 1960 en 1992 zien we heel wat voorbeelden van genocide en aanverwante gruweldaden, zoals Helen Fein uiteenzet in haar omvangrijke studie naar moderne genocides. Ze wijst ons op de massale vernietiging van de Iraakse Koerden, van stammen in Zuid-Soedan, Tutsi’s in Rwanda, Hutu’s in Burundi, Chinezen in Indonesië, hindoes en Bengalen in Oost-Pakistan, Aché-indianen in Peru en tal van etnische groeperingen in Oeganda.

Sommigen van ons kennen deze incidenten, anderen hebben er nog nooit van gehoord. Maar weinigen onder ons hebben geprobeerd ze te voorkomen. Die misdaden waren ‘onze zaak niet’, ze werden ver bij ons vandaan gepleegd en richtten zich op categorieën waartoe geen van ‘ons’ behoorde. Maar dat ze ‘onze zaak niet’ waren, was maar tot op zekere hoogte zo. Uit zorg voor ons gerief en welzijn, gedreven door de nobele behoefte om onze fabrieken en banen te redden, leverden onze overheden steeds weer de wapens, munitie en gifgassen waardoor de moordenaars hun werk konden voortzetten.

Bij elke genocide, net als bij elke groepsgewijze discriminatie of vervolging, worden de slachtoffers gestraft om wie ze zijn. En omdat ze zijn wie ze zijn, worden ze niet verdacht van iets wat ze hébben gedaan, maar wat ze zouden kúnnen doen. Worden ze eenmaal verdacht, dan zal ook het lichtste vergrijp gretig geregistreerd worden, terwijl ook de prijzenswaardigste daden hun geen genade, laat staan vrijspraak zal brengen. Alleen hun beulen en vervolgers en niemand anders (en zeker niet zij zelf), bepalen wie moet worden weggerukt en afgevoerd, vermoord of zieltogend achtergelaten.

Voordat de daders van genocide de macht over het leven en de dood van hun toekomstige slachtoffers krijgen, moeten ze de macht over hun definitie verwerven. Die macht bestaat erin om bij voorbaat elke betekenis te ontzeggen aan dat wat de mensen doen of laten die zijn bestempeld tot een groep die het leven onwaardig is. Genocide begint bij de bepaling van een groep die het leven onwaardig is en verloopt als ‘groepsgewijze moord’. De enige schuld van de groep die tot vernietiging wordt bestemd, is dat ze is aangeklaagd. En haar aanklagers spelen ook voor rechter.

Zygmunt Bauman is een Pools-Britse socioloog en psycholoog. Dit is de bekorte Holocaust Memorial Lezing die hij gisteren voor het Soeterbeeck programma van de universiteit van Nijmegen uitsprak.