Eindeloos praten en dan stroomt het geld binnen

Een investeringsfonds starten, middenin de crisis. Drie vrouwen uit de financiële wereld waagden de sprong en hebben de eerste miljoenen inmiddels binnen. „Je moet een enorme hoeveelheid nee’s kunnen incasseren.”

Vooropgesteld: ze zijn geen mannenhaters. Ze zijn ook geen voorvechters van quota voor meer vrouwen in de top van het bedrijfsleven. En dit wordt geen feministisch hallelujaverhaal. In het bedrijfsleven heb je zowel mannelijke als vrouwelijke eigenschappen hard nodig. Zakelijk versus zorgzaam. Actiegericht versus bedachtzaam. Dat klinkt niet alleen mooi, er valt ook geld mee te verdienen.

En dat is precies het doel van Karmijn Kapitaal, een investeringsfonds dat louter investeert in bedrijven met managementteams die uit zowel mannen als vrouwen bestaan. Désirée van Boxtel (42), Hadewych Cels (42) en Cilian Jansen Verplanke (46) komen alle drie uit de financiële wereld. Ze werkten hiervoor bij ABN Amro, bij de Rabobank, bij investeringsfondsen, maar wilden dolgraag iets voor zichzelf beginnen. Ze zagen een „gat in de markt”, dit móésten ze doen. Terwijl de economische crisis in volle gang was, besloten ze Karmijn op te richten. Op 1 april 2010 gingen ze officieel van start. Intussen telt het fonds zo’n dertig investeerders, wier investeringen variëren tussen de 250.000 euro en „hele grote bedragen”. Eind vorig jaar heeft de eerste storting van investeerders plaatsgevonden. In vaktermen heet dat een closing. Het wil zeggen dat er geld beschikbaar is om te investeren. De tweede closing staat gepland voor het begin van de zomer. De vrouwen zijn apetrots.

Al hebben ze nooit gedacht dat het ze níét zou lukken. Ze waren er van begin af aan van overtuigd dat er een markt zou zijn voor Karmijn Kapitaal. Uit onderzoek bleek dat bij 15 procent van de Nederlandse MKB-bedrijven vrouwen in het managementteam zitten. En dat bedrijven met gemengde managementteams aantoonbaar stabielere en bovengemiddelde financiële rendementen opleveren. „Maar op het moment dat er een deal zou kunnen spelen – een overname of een verzelfstandiging van een bedrijfsonderdeel – blijken die vrouwen de weg niet te kunnen vinden naar private equity”, legt Van Boxtel uit. Soms gaan vrouwelijke (financieel) directeuren zelfs op zoek naar een nieuwe baan als ze horen dat hun bedrijf wordt verkocht. Van Boxtel: „Ze staan er niet bij stil dat zij het bedrijf misschien wel zélf kunnen overnemen.”

Karmijn wil uiteindelijk 50 miljoen euro binnenhalen en investeren in zo’n acht tot tien bedrijven. Op welk bedrag de vrouwen hun eerste closing hebben gedaan, maken ze liever niet openbaar. Van Boxtel: „Maar het is genoeg om twee tot drie deals mee te financieren.” Ze hebben al meer toezeggingen, maar die zitten straks in de tweede tranche.

Het investeringsfonds richt zich op financieringen van management buy-outs, waarbij het zittende management het bedrijf overneemt, en zogeheten groeifinancieringen, om specifieke groei- of overnameplannen te bekostigen. Karmijn belegt alleen in Nederlandse, niet-beursgenoteerde bedrijven die minimaal vijf miljoen euro omzet maken, winstgevend zijn en waarvan het management ervaren is. Van Boxtel: „Private equity is per definitie risicodragend, maar wij zitten aan de meer risicomijdende kant van het spectrum.”

Diversiteit in een managementteam zorgt volgens Karmijn voor beter afgewogen besluitvorming en daardoor betere beslissingen. Van Boxtel, Cels en Jansen Verplanke denken dat zij makkelijker toegang tot vrouwen hebben dan andere, veelal mannelijke, fondsmanagers. Van Boxtel: „Als je op een industrieterrein in Enschede zit en niet precies weet wat private equity voor jou kan betekenen, is het tóch makkelijker om een andere vrouw te bellen dan een investeringsfonds op de Zuidas dat je niet kent.”

De vrouwen hadden voor zij Karmijn oprichtten ruime ervaring met het doen van investeringen. Geld uitgeven, dat konden ze wel, zeggen ze lachend. Met miljoenen tegelijk zelfs. Maar nu moesten ze die miljoenen eerst zelf zien binnen te halen. „Dat is echt taai”, vertelt Van Boxtel. „Het is een kwestie van volhouden. Je moet uithoudingsvermogen hebben. Soms duurt het je gewoon te lang. Dan is het moeilijk om voor de zoveelste keer enthousiast je verhaal te vertellen.”

Toen ze in april 2010 van start gingen, hadden ze gedacht dat het werven van fondsen vrij snel zou gaan. „Mensen uit het vak zeiden dat het 18 tot 24 maanden zou duren voordat we genoeg geld hadden verzameld voor een eerste closing”, zegt Jansen Verplanke. „Wij dachten: ach, dat moet ons lukken voor het einde van 2010. Maar gaandeweg ontdekten we dat het toch niet zo simpel was.”

Er zijn lijsten met openbare investeerders die in private equity beleggen. Zodoende kwamen de vrouwen, gewapend met hun ‘prospectus’, een bedrijfssamenvatting en een presentatie, terecht bij potentiële investeerders zoals pensioenfondsen en verzekeraars. De rijke families waren minder eenvoudig te benaderen, legt Van Boxtel uit. „Je kunt de Quote 500 er wel bij pakken, maar dat heeft geen zin. Als je deze families ongevraagd opbelt, maak je geen schijn van kans. Je hebt bekenden nodig die tegen hen zeggen: ‘Ga eens met die meiden praten’. Dat loopt allemaal via via, dus dat waren vaak mensen die al in ons hadden geïnvesteerd, of die we kennen uit ons verleden.” Jansen Verplanke: „Fondsenwerven is een kwestie van eindeloos bellen en leuren en hopen dat je dan je voet tussen de deur kunt zetten. Je moet een enorme hoeveelheid nee’s kunnen incasseren.”

Aan private equityinvesteringen zijn allerlei regels verbonden. „Sommige investeerders willen wel, maar mogen simpelweg niet”, zegt Van Boxtel. „Tegelijk zijn er ook beleggers die wél zouden kunnen investeren, die tien keer met ons praten, een half jaar lang, en uiteindelijk toch nee zeggen. Godzijdank is dat niet zo vaak voorgekomen, maar we hebben het een paar keer meegemaakt en dat waren moeilijke momenten.” Jansen Verplanke knikt. „Dan waren er wel een paar biertjes nodig om er weer bovenop te komen.”

Het omslagpunt kwam toen het European Investment Fund, een gerenommeerd Europees investeringsinstituut, zich aan Karmijn committeerde voor 33 procent van het totaalbedrag dat zij ophalen (al zit daar wel een maximum aan van 50 miljoen euro). „Dat is geweldig”, zegt Van Boxtel. „Zij beleggen natuurlijk niet zomaar in ons. Vooraf hebben zij uitgebreid onderzoek naar ons gedaan. Dat zij uiteindelijk ‘ja’ hebben gezegd, betekent een enorm kwaliteitsstempel.” Zelf hebben de dames uit eigen middelen forse geldbedragen ingelegd. Hoeveel, dat willen ze niet in de media zeggen, maar het is een hoger bedrag dan de gebruikelijke 1 procent (in dit geval dus meer dan 500.000 euro). Van Boxtel: „Dat moest ook, vonden wij. Op die manier willen wij aan de investeerders laten zien dat wij volledig in ons plan geloven.”

Dat het een gewaagde stap was om Karmijn op te richten, ontkennen ze geen van drieën. „We hadden een beter moment kunnen kiezen dan midden in de crisis”, zegt Jansen Verplanke droogjes. Ze beseffen dat ze deze stap alleen konden zetten omdat ze zich die konden veroorloven. Naast een investering van een paar ton per persoon, hebben de oprichters van Karmijn anderhalf jaar lang geen inkomen gehad. „We hebben flink ingeteerd op onze reserves”, zegt Van Boxtel. „Het is dus op z’n zachtst gezegd fijn dat het nu begint te lopen.”

De oprichting van Karmijn bracht ook andere veranderingen met zich mee. Zoals Jansen Verplanke, die jarenlang bij ABN en bij de Rabobank werkte, zegt: „Ik kwam uit het bedrijfsleven waar werkelijk álles was. En dan plotseling zit je met z’n drieën ergens in een bezemkast. Dat je denkt: waar halen we koffie vandaan?” Van Boxtel giert het uit. „En dat je zelf weer plakbandjes moet gaan kopen.” De vrouwen zeggen nooit spijt te hebben gehad van hun carrièrestap. Jansen Verplanke: „Het was en is een prachtig avontuur. Als het niet was gelukt, hadden we op onze eigen blaren gezeten. Maar hoe erg is dat? Dan heb je het in ieder geval geprobeerd.”

Met één bedrijf, een familiebedrijf in voedingsmiddelen, is Karmijn in dusdanig verregaande onderhandelingen dat de handtekeningen naar verwachting snel gezet worden. „Wij hadden een gunfactor bij de verkopende partij – allemaal mannen”, zegt Cels. „En dat zat hem niet in onze vrouwelijke charmes, maar in onze betrokkenheid. De eerste keer dat wij deze mensen ontmoetten, hebben we de hele tafel vol gezet met hun producten. Urenlang hebben we alleen daarover gesproken. Waarom zijn jullie zo trots op jullie producten? Waarom zijn ze beter dan die van de concurrentie? Wij kijken niet alleen naar de cijfers, maar zijn ook oprecht geïnteresseerd in de geschiedenis van een bedrijf en de mensen die er werken.”

Toch wordt de vrouwelijke troefkaart wel uitgespeeld. Op tafel, in het kantoor dat ze tijdelijk in bruikleen hebben van Price Waterhouse Coopers, staat een bakje chocolademunten. Op de rode folie is met zwierige letters ‘Karmijn’ gedrukt. „Die doen we in enveloppen als we acquisitie plegen”, zegt Cels. Ze lacht quasi verontschuldigend. „Tja, vrouwen en chocola hè.” Dan vervolgt ze resoluut: „Maar het zijn niet voor niets munten. Uiteindelijk doen wij gewoon business.”