Een minister laat je geen bank waarderen

De enquêtecommissie die de financiële crisis onderzoekt, sloot gisteren de openbare verhoren af. Het ging er stevig aan toe. Oud-minister Bos noemde beweringen van zakenbank Lazard „volstrekt ongeloofwaardig”.

De parlementaire enquêtecommissie De Wit kreeg op de laatste dag van de openbare verhoren de wind van voren. Op de vraag of miscommunicatie bij de redding van ABN Amro niet tot een hogere prijs had geleid, gaf oud-president Nout Wellink van De Nederlandsche Bank een hard antwoord. „Volgens mij is de meeste miscommunicatie hier op deze stoel ontstaan.” En oud-minister Wouter Bos (Financiën, PvdA) vroeg zich of de commissie geen last had van vooringenomenheid. „U vraagt steeds of er niet te veel betaald is door allerlei tegenvallers. Je kan je ook afvragen of er niet te weinig is betaald, gezien de meevallers. Bijvoorbeeld door de kostenvoordelen nu Fortis en ABN Amro zijn samengevoegd.”

Beide hoofdrolspelers tijdens de overname van Fortis Nederland gaven gisteren tegengas. Gaat de commissie niet te makkelijk mee in de bewering van sommigen dat er met de redding van ABN Amro onnodig veel geld is gemoeid? De extra verhoren van deze week waren ingelast om te bepalen welke tegenvallers al in oktober 2008 zichtbaar waren. Als die over het hoofd zouden zijn gezien, was er wellicht te veel betaald (16,8 miljard euro) voor de banken en de verzekeraar (ASR).

Op één punt kwam duidelijkheid. Tijdens de onderhandelingen kon al bekend zijn dat in een deel van de boedel te weinig vermogen zat. Dat gebrek, 2,3 miljard, had door zakenbank Lazard van de waardering afgetrokken moeten worden. Dat twee duurbetaalde bankiers woensdag beweerden dat zij niet wisten dat dit ten laste van het Nederlandse deel van Fortis kwam, noemde Bos „volstrekt ongeloofwaardig”.

Bos en Wellink ontkenden dat latere tegenvallers – de teller voor de overheid liep op tot 30 miljard – eerder te voorzien waren. „Lazard had alle informatie die er toen beschikbaar was”, zei Bos. „Als die zaken toen een rol hadden gespeeld, was er wel een lagere waardering uitgerold.” Net als Wellink legde Bos de verantwoordelijkheid voor de waardering bij Lazard. „U wilt toch niet aan een minister overlaten dat hij de waarde van een bank gaat bepalen?”

Bos benadrukte dat een lagere waardering niet automatisch tot een lagere prijs leidt. ABN Amro stond op omvallen en moest worden gered. Anders zou het Nederlandse financiële systeem instorten. En de waardering was slechts een basis voor de onderhandelingen. Ook wanneer het kapitaalstekort van 2,3 miljard was meegenomen, was de prijs wellicht gelijk blijven. „De bandbreedte was voor ons 12 tot 20 miljard euro. Dat zou dan 10 tot 18 zijn geworden. De overnameprijs van 16,8 miljard past daar nog altijd in.” De conclusie die in sommige media was getrokken dat er miljarden te veel was betaald, verwierp Bos. Betalen en waarderen „zijn echt heel verschillende zaken”.

Ook Wellink relativeerde het belang van de waarderingen. Hij trok de vergelijking met een fles water. „Die is hier een euro waard, maar in de woestijn ben je misschien bereid om er meer voor te bepalen.”

De commissie komt in maart met haar rapport en daarin zullen de laatste verhoren een belangrijke rol spelen. Dan wordt de vraag immers beantwoord of de vele tegenvallers al zichtbaar waren. En, hopelijk ook de vraag, of die kennis echt tot een lagere overnamesom had geleid.