Een badkuip van onmetelijke proporties

Kunst wil reinigen. De nieuwe aanbouw van het Stedelijk Museum wil dat ook, stellen Thierry Baudet en Bastiaan Rijpkema vast.

Met de plaatsing van de Amsterdamse grachtengordel op de Unesco-werelderfgoedlijst leek het lot van de hoofdstad bezegeld. Stel je voor! De stad zou voor eeuwig vastgeklonken zijn aan de loden last van haar verleden – en een statische museumstad blijven vol niet-functionele ornamenten en gebouwen uit een vergane tijd.

Dat noodlot is gekeerd! Na jaren van stilstand staat aan het Museumplein dan eindelijk de nieuwe uitbouw van het Stedelijk Museum, ook wel ‘de badkuip’ genoemd. In één klap is Amsterdam de eenentwintigste eeuw in gekatapulteerd!

Tot nu toe had Amsterdam het zwaar. Waar het centrum van Rotterdam, de Unité d’Habitation in Marseille en het Noord-Koreaanse Pyongyang al geruime tijd de zoete vruchten van de moderniteit plukten, bleef Amsterdam zitten met een gedateerd centrum met achterhaalde esthetiek.

Al in de jaren vijftig van de vorige eeuw probeerde de visionair en vrijheidsstrijder J.J. van de Velde de moderniteit in Amsterdam binnen te halen. Dwars door de Spuistraat met haar historische huizen zou een monorail aangelegd moeten worden. Wat een goed idee! Verkeersproblemen zouden verdwijnen, en als bijkomend voordeel werden meteen die oubollige gevels aan het zicht onttrokken. Een moedig plan dat slechts door kleinzielige protesten uit de onderbuik geen doorgang vond.

In de jaren die volgden werden modernistische architecten en kunstenaars – wier taak het is mensen uit hun sluimer wakker te schudden – in Amsterdam ronduit gemuilkorfd. De ‘creatieve vernietiging’ van de Nieuwmarktbuurt was niet meer dan een schamele troostprijs. Een doekje voor het bloeden, zonder dat het esthetische juk werkelijk werd afgeworpen.

Het is de verdienste van Benthem Crouwel Architekten – jawel, met zo’n kekke ‘k’ – dat daaraan definitief een einde is gekomen. In een dappere vlucht voorwaarts hebben deze bouwkundige genieën alle esthetische normen overboord gegooid. Het gebouw is zo afzichtelijk en belachelijk, het detoneert zo volkomen met de omgeving: dit kan niets anders zijn dan moderne kunst.

Bij het ontwerp zag Bethem Crouwel zich voor de opgave gesteld om – zoals het Programma van Eisen vroeg – het oude Stedelijk en de uitbouw samen te brengen tot één geheel. De architekten wisten dat in dit soort kwesties slechts één optie rest: de contradictie (of beter: kontradiktie!).

De uitbouw moest radicaal anders worden dan dat stoffige relict van Weismann, en juist dáárin zou de ‘eenheid’ liggen. ‘Post-moderne ironie’, zoals dat wordt genoemd. Mooi en niet-mooi, genoeglijk en afschuwelijk, baksteen en kunststof: overal werd het contrast gevonden.

Maar de brille van Benthem Crouwel reikt verder. De uitbouw zou geen ‘gebouw’ mogen worden. Dat was het oude immers al. Nee, het zou een badkuip worden! De architekten betonen zich hiermee de ware erfgenamen van de grote voortrekker van de moderne kunst, Marcel Duchamp. Duchamp vroeg: waarom kan een urinoir geen kunst zijn? Terecht vragen Benthem en Crouwel: waarom kan een badkuip geen museum zijn?

Ook scoren de scheppers van de badkuip met hun conceptuele verwijzingen. Terwijl duidelijk is dat de steriele witte ziekenhuiskleur verwijst naar het wit geëgaliseerde interieur van het oude Stedelijk, kan de geoefende kijker nog veel meer betekenislagen in de badkuip ontwaren.

Zo spreekt uit de keuze voor een badkuip serieuze cultuurkritiek. Een essentieel onderdeel van de menselijke habitat wordt immers met uitsterven bedreigd. Zeker in Amsterdam, waar men nog altijd in ouderwetse huizen woont, is er ruimtegebrek. Het ligbad wordt veelal door de ruimte-efficiëntere douche vervangen. Nu zouden we ons daar bij kunnen neerleggen, maar zulke neerslachtigheid is niet aan Benthem en Crouwel besteed. Zij springen in de bres voor dit uitstervend stuk sanitair. De connaisseur van de moderne kunst herkent in de badkuip dan ook onmiddellijk dit statement. Een badkuip is misschien niet mooi, maar dat is niet iets om verwaand over te doen. Een kuip heeft ook rechten! Door de badkuip in onmetelijke proporties te laten neerstrijken aan het Amsterdamse Museumplein, hebben Benthem en Crouwel de herinnering aan haar voor het nageslacht weten te bewaren.

Het moge duidelijk zijn: Benthem en Crouwel verdienen alle lof voor hun bevrijdende werk. Niemand zal er meer aan twijfelen dat schoonheid definitief heeft afgedaan.

Als een klap in je gezicht staat aan het Museumplein de badkuip. De provocaties van de moderne kunst laten zich niet langer verstoppen achter de muren van een bourgeois gebouw. Leve de vooruitgang! Weg met de schoonheid! Leve de badkuip!

Thierry Baudet en Bastiaan Rijpkema zijn als promovendi verbonden aan de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden.