Dromen over rijkdom voor 15 euro per maand

„Mijn man koopt elke maand een staatslot bij de sigarenboer. Heeft dit zin? Of zijn alle loterijen weggegooid geld?”

De mensheid kent doeners, denkers en dromers, als het gaat om financieel gedrag. Een doener pakt aan, neemt risico’s en ontwikkelt daarmee zijn boerenverstand. Dus ja, de doener heeft wel eens een lot gekocht. Maar dit na drie prijsloze trekkingen als een misstap afgedaan. Nog cynischer tegenover kansspelen staat de denker. Je betrapt hem zelden op het meedoen aan een loterij. Eerst berekent hij zijn kansen, spelt de voorwaarden en duikt in jaarverslagen. Vervolgens keert hij zich fel tegen de mega-jackpots en postcodekanjers van 30 miljoen euro, want die minimaliseren de kans op een prijs. Zijn bloeddruk stijgt ook doordat slechts 600 miljoen van de twee miljard euro die loterijen in 2010 ophaalden, verdwijnt in de zakken van goede doelen en de Staat, terwijl minstens zoveel opgaat aan overheadkosten. Denkers en doeners trappen daar niet (meer) in. Het zijn de dromers en gokverslaafden die het gelag betalen.

Dromers doen graag en lukraak mee aan kansspelen, omdat ze, in tegenstelling tot denkers en doeners, allergisch voor cijfers en winstkansen zijn. Ze romantiseren de 1.000 gulden die ze vier decennia geleden wonnen, en berekenen nooit hoeveel het gokken sindsdien heeft gekost. Ze vallen als bakstenen voor de miljoenenjackpot in de Oudejaarstrekking, maar snappen niet dat de kans daarop een onmogelijke 1 op 4.376.000 is.

De loterijorganisatoren laten dromers dolgraag dromen, terwijl ze de inleg automatisch van hun bankrekeningen slurpen. Ze adverteren met mega-hoofdprijzen, omdat die onkritische klandizie trekken. En ze verbloemen – zelfs de Staatsloterij – de overheadkosten, belastingafdrachten en de piepkleine kansen op een prijs. De vorig jaar overleden emeritus hoogleraar en psycholoog Willem Albert Wagenaar noemde de staatsverdiensten aan kansspelen daarom ooit een „belasting op domheid”. Dat klinkt wat zuur. Toch heeft hij groot gelijk.

Maar hoe leg je dat uit aan iemand die droomt van miljoenen op de bank en levenslang genieten van de Postcodekanjer? Misschien dat een van de volgende weetjes helpt. Volgens de Consumentenbond is 73 procent van de prijzen in de Staatsloterij lager dan de kosten van een lot. De kans op een prijs boven de 1.000 euro is maar 0,009 procent. Bij de lotto bestaat de prijs in 84 procent van de gevallen alleen uit een nieuw lot. Het wekelijkse Bingospel van de Vriendenloterij maakt het helemaal bont: de hoofdprijskans is 1 op de 345 miljard, één keer in de 7.870 jaar!

Helpt niet, hè? Want dromers willen dromen. Informeer ze dan maar waar ze de meeste kans maken op een prijs. Dat is in de Staatsloterij, want deze moet verplicht 60 procent van de inleg uitkeren aan prijzen. De BankGiro Loterij, de Postcode Loterij en de Vriendenloterij betalen daarentegen maar zo’n 30 tot 40 procent aan prijzengeld.

De onbetwiste winnaar in alle loterijen is trouwens de Staat. Van elke prijs vanaf 454 euro gaat 29 procent kansspelbelasting naar de schatkist. Daarnaast int de overheid de winst op de Staatsloterij, in 2010 was dat 208 miljoen euro.