De Sgt. Pepper’s van de Renaissance

Aflevering 22: de Sixtijnse Kapel en de fresco’s van Michelangelo.

De Sixtijnse kapel Foto AP Photo/Pier Paolo Cito, File

In een oude Peanuts-strip van Charles M. Schulz staat een meisje bij een bakstenen muur. „Ik haat het om een nobody te zijn,” zegt ze tegen niemand in het bijzonder; „ik wou dat ik een grote tv-ster was.” Terwijl ze zich omdraait en wegloopt, voegt ze daaraan toe dat ze niet naar school zou hoeven als ze een diva was. Op het laatste plaatje zie je een tekstballonnetje uit de muur komen: „Ik was ook liever de Sixtijnse Kapel geweest, meisje, maar dat zat er niet in.”

De Vaticaanse kapel van paus Sixtus IV, gebouwd tussen 1477 en 1480 en daarna versierd door de grootste schilders van de Renaissance, geldt als het summum van de westerse kunst. ‘Zonder de Sixtijnse Kapel gezien te hebben, kan men zich geen werkelijke voorstelling maken van wat één mens vermag’, schreef Goethe in zijn Italienische Reise, en velen zeiden het hem na. Het gebouw is zó beroemd geworden dat andere kunst eraan wordt afgemeten: de grot met rotstekeningen in Altamira is ‘de Sixtijnse Kapel van de prehistorie’; het album Sgt. Pepper’s van The Beatles is de Sixtijnse Kapel van de popmuziek en Never Mind The Bollocks die van de punk. Vele details uit de fresco’s, van de vinger van God in De schepping van Adam tot de vertwijfelde zondaar-met-de-hand-voor-zijn-oog in Het Laatste Oordeel, behoren tot de meccanodoos van de populaire cultuur en komen terug in moderne schilderijen, spotprenten, films en boeken.

©

©

De ene mens over wie Goethe het had, was Michelangelo Buonarroti (1475-1564), de uomo universale uit Florence die meer dan elfhonderd vierkante meter plafond en muur van de Sixtijnse Kapel voor zijn rekening nam. Pech voor de grote schilders vóór hem – Signorelli, Rosselli, Michelangelo’s eigen leermeester Ghirlandaio – die op de zijwanden niet onverdienstelijk de levens van Mozes en Jezus hadden verbeeld. Zonder Michelangelo’s interpretaties van de bijbelboeken Genesis en Apocalyps zou alle aandacht van de toeristen vandaag-de-dag uitgaan naar meesterwerken als Perugino’s Christus overhandigt de sleutels aan Petrus (met Sixtus IV als de hemelbewaarder) of Botticelli’s Beproevingen van de jonge Mozes (met de roodharige schoonheid die Marcel Proust inspireerde tot Odette in Un amour de Swann).

Maar Michelangelo heeft de concurrentie weggevaagd. In één geval zelfs letterlijk, want toen hij op verzoek van paus Paulus III tussen 1535 en 1541 de westwand van de kapel met Het Laatste Oordeel beschilderde, moesten daarvoor niet alleen twee ramen en een paar door hemzelf rond 1510 geschilderde ‘Voorvaderen van Christus’ verdwijnen, maar ook twee scènes uit de levens van Mozes en Christus. Dat er ook geen plaats meer was voor twee van de tien kapitale wandkleden die Rafael twintig jaar eerder voor de kapel had gemaakt, was minder erg, aangezien de originelen daarvan bij de grote plundering van Rome door de soldaten van Karel V (1527) verloren waren gegaan. ‘Il sacco di Roma’ wordt tegenwoordig gezien als het officieuze einde van de Renaissance, maar gelukkig bleven de schilderingen in de Sixtijnse Kapel daarbij onaangetast. De echte schade werd in de loop der tijden aangericht door het roet van kaarsen en wierook, het hemelwater van de daklekkages en de zoutuitwasemingen van de bezoekers. Er was vanaf 1980 een restauratie van veertien jaar nodig om de kleuren weer zo fel te krijgen als ze ooit op de natte kalk waren opgebracht.

Toen Michelangelo in 1508 van paus Julius II de opdracht kreeg voor het beschilderen van het plafond, was hij niet enthousiast. Ik ben een beeldhouwer, geen schilder, moet hij gezegd hebben, maar mogelijk voorzag hij een valstrik van zijn grote rivaal Donato Bramante, de pauselijke architect die hem van zijn baanbrekende werk aan het grafmonument voor de Paus probeerde af te houden door hem een onmogelijke opdracht te geven. Bramante maakte ook het ontwerp voor de hangende steiger waarop Michelangelo moest werken, maar die bouwde veiligheidshalve een eigen platform, waarop hij liggend op zijn rug meer dan vier jaar onafgebroken werkte. In omgekeerd chronologische volgorde, van de Zondvloed tot de Schepping, beschilderde Michelangelo het middengedeelte van het plafond met negen scènes uit Genesis. De randen vulde hij op met heilsscènes uit het Oude Testament (in de hoeken), profeten, sibylles en voorlopers van Christus.

Een kwart eeuw later, Michelangelo was toen zestig, ging hij op herhaling voor Het Laatste Oordeel, een door lapis lazuli-blauw gedomineerde massascène die de wederkomst van Christus verbeeldde. De Heiland is afgebeeld als een jonge god zonder baard en met een wrekende mimiek. Hij staat tussen de heiligen en de geredden, maar de meeste aandacht gaat uit naar de zondaars die worden afgevoerd naar de hel. Oorspronkelijk waren alle figuren naakt, wat controverse veroorzaakte. De pauselijke ceremoniemeester klaagde over obsceniteit die meer bij een openbaar bad hoorde; waarop Michelangelo hem met ezelsoren in de hel vereeuwigde. Maar na de dood van de schilder werden alle genitaliën kunstig bedekt – door Daniele da Volterra, die aan zijn nijvere werk de bijnaam Il Braghettone, de Broekjesmaker, overhield.

Hoe Michelangelo daartegenover zou hebben gestaan, kun je aflezen aan het zelfportret dat hij bij wijze van handtekening op Het Laatste Oordeel heeft aangebracht, en wel in de losse huid van de levend gevilde heilige Bartholomeüs: een vermoeid oud gezicht met een uitdrukking van ontzetting en pijn. Maar misschien gaf dat groteske masker gewoon weer hoe hij zich voelde na meer dan tien jaar op de Sixtijnse steigers.