Altijd met sigaret in de mond en gekleed in soutane

L’abbé Breuil, Un préhistorien dans le siècle Arnaud Hurel, CNRS Éditions, €28

Het kan niet vaak genoeg gezegd worden: iedere wetenschapper staat op de schouders van zijn voorgangers en wetenschap is mensenwerk. Daarom is het goed om aandacht te besteden aan de geschiedenis van een wetenschappelijke discipline. In de archeologie is men daarmee de laatste jaren goed bezig. Zie bijvoorbeeld de oprichting in 1999 van AREA, een Europees netwerk van nationale en universitaire archeologische instituten voor studie, behoud en beheer van archeologische archieven. Verder verschijnen regelmatig proefschriften en mongrafieën over de geschiedenis van archeologie. Daartoe hoort ook de recent verschenen biografie van abbé (abt) Breuil door Arnaud Hurel, historicus en onderzoeker bij de afdeling prehistorie van het Muséum national d’histoire naturelle in Parijs.

Hurel schetst chronologisch het leven en de carrière van Henri Breuil (1877-1961). Hij was de paus van de Franse prehistorie, die van de bestudering van grotschilderingen een wetenschap heeft gemaakt. Door hem is de studie van de prehistorie in Frankrijk een zelfstandige discipline geworden.

In Breuil’s jonge jaren, die zich afspeelden in het gebied van de Somme, is prehistorie nog het terrein van goedwillende amateurs, die zelf hun opgravingen betaalden. Al jong begon ook Breuil zich voor natuurhistorie en de vroegste geschiedenis van de mens te interesseren. Daarvoor was geen speciale gebeurtenis nodig. De interesse was er gewoon, net zoals hij later geen openbaring nodig heeft om priester te willen worden. Zelf heeft Breuil nooit een probleem gezien in het feit dat hij zowel wetenschapper als geestelijke was: evolutie en schepping sloten elkaar simpelweg niet uit. De prehistorische mens was in zijn ogen net zoveel mens als de moderne mens en het scheppingsverhaal was niet iets om letterlijk te nemen. Over het algemeen heeft de katholieke kerk ook niet moeilijk gedaan over Breuils wetenschappelijke werk. Er was even sprake van dat hij gewoon parochiepriester moest worden, maar een brief aan de bisschop van Soissons zorgde ervoor dat Breuil de kerk kon gaan dienen door zich volledig aan de wetenschap te wijden.

Breuil, altijd met sigaret in de mond en gekleed in soutane, was een van de wetenschappers die aantoonden dat de grotschilderingen die sinds het einde van de negentiende eeuw in Zuid-Frankrijk en Spanje werden ontdekt, duizenden en tienduizenden jaren oud waren. Tijdens de ruim 900 dagen van zijn leven die hij in ondergrondse grotten doorbracht, heeft hij maar één keer zelf nieuwe tekeningen ontdekt: in de Grotte des Combarelles vond hij zeshonderd schilderingen en gravures van dieren.

Hurel laat zien dat Breuil geen heilige was: hij kreeg ruzie met leermeesters, wendde zijn invloed aan om tegenstanders uit te schakelen en was soms een opportunistische solist. Verder heeft hij in zijn zestigjarige carrière wetenschappelijke fouten gemaakt, zoals zijn theorie dat grotschilderingen unieke kunstuitingen waren en dat de makers ervan te vergelijken waren met historische meesterschilders. Pas tegen het einde van zijn leven is die theorie achterhaald. Net zoals Breuil zelf eerder een einde maakte aan Gabriel de Mortellets foutieve classificatie van het Paleolithicum. Zo maakt de biografie duidelijk dat ook verwerping van een wetenschappelijke theorie voortbouwt op het werk van voorgangers.

Theo Toebosch