Welvaart maakt blind

Oud-correspondent Stéphane Alonso kwam terug uit Polen en besefte: Nederland is af. En wat af is, loopt des te meer risico afgebroken te worden.

Stéphane Alonso

Oud-correspondent Polen

Na een lang verblijf in het buitenland (acht jaar Oost-Europa) was ik vergeten hoe het leven in Nederland is. Nu dan: het is in één woord geweldig.

Het paradijs bestaat en het ligt hier, aan de Noordzee.

„Papa, het is hier zo mooi, ik wil hier nooit meer weg”, zei mijn zoon (7) al na een paar dagen. Uit zichzelf. Ik begrijp waarom. In de Poolse hoofdstad Warschau, waar ik als correspondent voor deze krant werkte, moest hij op weg naar school oppassen voor kraters en bouwputten. In Rotterdam hoort hij op weg naar school de vogeltjes fluiten.

Ondanks de spectaculaire vooruitgang die Polen sinds de val van het communisme (1989) heeft geboekt, is het verschil in levensstandaard met Nederland nog steeds verpletterend. Nederland is een sprookjesland, met lollies aan de bomen en huizen van koek, besef ik nu meer dan ooit.

En dat is meteen ook het euvel: want hoe bevredigend kan leven in een paradijs zijn? Waar kun je als mens nog naar streven, als elke stoeptegel al recht ligt? Naar de oprichting van een dierenpolitie? Naar een hoofddoekjesverbod voor koningin Beatrix? Naar een verbod op de rituele slacht? Naar verhoging van de maximumsnelheid?

Zoveel is me na een half jaar duidelijk: verdedigen wat werkt is veel moeilijker dan bekritiseren wat níét werkt. Het paradijs is het land van de non-issues, van onbegrijpelijk gemopper, ja van soms hels gehuil.

Ik heb acht jaar heel plezierig in Warschau gewoond. Nou ja, zeven jaar. Het eerste jaar was behoorlijk wennen. Alles wat ik in Nederland voor vanzelfsprekend hield, bleek het in de Poolse hoofdstad niet te zijn. Voor wie is opgegroeid met schone lucht, fietspaden, beschaafde automobilisten en aangeharkte tuintjes, is Warschau een ronduit vijandige stad.

Dat eerste jaar leerde ik er de zwaartekracht trotseren. Als je zes uur in de rij staat voor een gemeenteloket en met lege handen naar huis keert, kun je vloeken en tieren wat je wilt, maar het helpt niet. Integendeel, je raakt verder van je doel verwijderd. U wilt een klacht indienen?

Haha!

Oost-Europa begon als een les in geduld en nederigheid. Hopen mag altijd – de hoop sterft volgens een lokaal uiterst populair gezegde immers als laatste – maar verwacht nooit te veel. Wees voorbereid op het ergste – dan kan het alleen maar meevallen. En blijf glimlachen, maar ook weer niet te veel, want een Poolse ambtenaar of politieagent voelt zich al snel bij de neus genomen.

In Polen werden noodlot en pech lastige familieleden: ik zat er niet op te wachten, maar maakte er het beste van, want familie is familie. In Polen mopperde ik niet over het openbaar vervoer, het was zoals het was (niet al te best). In Nederland zing ik nu, na een half jaar, graag mijn partijtje mee in de klaagzang over de ov-chipkaart (eigenlijk een briljante uitvinding).

Voor de duidelijkheid: dit is geen kritiek op de Polen. Het is juist een lofzang op hun improvisatievermogen, dat opmerkelijk intact is – na eeuwen van bezettingen, een alles en iedereen verzengende Tweede Wereldoorlog, vijftig jaar communisme en twintig jaar bureaucratisch hordelopen en politieke stormen. Of misschien juist wel daardoor.

Natuurlijk, geen enkel land is zonder problemen, ook Nederland niet. Maar improviseren hoeft hier niet. Dit land ligt al eeuwen op koers, zelfs de Tweede Wereldoorlog heeft daar nauwelijks wat aan veranderd. Nu is er de eurocrisis, maar ook daarvan zal Nederland niet straatarm worden, hooguit minder rijk. De recente Nederlandse geschiedenis is een vrijwel ononderbroken opeenstapeling van familie-erfenissen, bestuurlijke ervaring en cultureel erfgoed.

Multicultureel drama? De sociale samenhang in Nederland, durf ik wel te stellen, is vele malen groter dan in Polen, mogelijk het meest homogene land van Europa. Vrijwel iedereen daar is blank en katholiek, buitenlanders vallen op door afwezigheid, maar om historische redenen is het wantrouwen tussen burgers onderling en tussen burgers en overheid groot.

Toen ik mijn flat in Warschau introk, was het portiek een slagveld, met afbladderende verf en lamme trapleuningen. Toen ik er weer vertrok was het dat nog steeds. Niet uit geldgebrek, maar omdat bewonersvergaderingen steevast uitmondden in burenruzies, over katten, verkeerd geparkeerde auto’s en de vraag wie de meeste ‘historische rechten’ bezat in het gebouw. Ik niet, dat was wel duidelijk.

Het enige wat er wel kwam was camerabeveiliging. Volstrekt overbodig, tenzij je elkaar in de gaten wilt houden.

Een van de beroemdste Poolse komedies (Sami Swoi uit 1974) gaat over twee Poolse boeren in (het ooit Poolse) West-Oekraïne die, nadat ze door de oorlog huis en haard hebben moeten verlaten, besluiten hun eeuwenoude familievete in een ander deel van het land voort te zetten – en pal naast elkaar gaan wonen. Dat vat Polen mooi samen – vinden ook veel Polen.

Daarmee vergeleken is Nederland een land van ongekende sociale harmonie. Ondanks de aanwezigheid van Chinezen, Surinamers, Turken, Marokkanen en sinds enkele jaren ook Polen, Roemenen en Bulgaren. Of misschien juist wel daardoor.

De puinhopen van Paars, van het poldermodel? Ook daar kan ik als ex-Oost-Europeaan niet veel mee. Is Nederland in de laatste twintig jaar compleet de vernieling in geholpen? Nou nee, Nederland is anno 2012 een van de meest welvarende landen ter wereld. Volgens een recent rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) ging het nog nooit zo goed.

Nederland is, zo herontdek ik, het land van de menselijke maat. Van het leven op de fiets. Van buurtsupermarkten (Polen wemelt van de grote shoppingmalls). Van de gelukkigste kinderen ter wereld. Van behulpzame, efficiënte bureaucraten. En van werken in deeltijd. Volgens het SCP hebben burgers nergens meer vrije tijd dan hier.

En dan die schijnbaar moeiteloze versmelting van natuur en stad. Reigers in dichtbevolkte woonwijken? Nooit gezien in Polen. Polen is veel groter, heeft dus ook veel meer natuur, maar die is wilder, ontoegankelijker. Verdwalen is best leuk, als je ervan houdt. Dorpen liggen niet zelden onder een scherp ruikende wolk, afkomstig uit op hout of kolen gestookte kachels.

Voor Nederlanders die écht wat te klagen hebben: de rechtspraak in dit land is een van de meest laagdrempelige ter wereld. Er is hier zoiets als ‘rechtszekerheid’ – een begrip dat ik aan Polen nooit goed heb kunnen uitleggen. Die gaan er bij voorbaat van uit dat alles wat ze opbouwen, zo weer afgebroken kan worden. En ze hebben een bloedige geschiedenis om het te bewijzen.

Het meest verbijsterende van dit alles is dat het leven in het paradijs verraderlijk snel went. Toen ik onlangs weer een paar weken in Polen was, voelde ik de zwaartekracht weer loodzwaar drukken. Mijn engelengeduld bleek vervlogen, de banale mopperaar in mij kwam onmiddellijk bovendrijven. Ik baalde van het gebrek aan keuze in supermarkten, van de gaten in de weg, van de slechte kwaliteit van het kraanwater en zelfs van het brood – volgens de Polen zelf nota bene het beste ter wereld.

Toegegeven, de winters in Warschau zijn grauw en donker, wat het contrast vergroot. Maar toch: het paradijs aan de Noordzee bleek mijn weerstand te hebben geknakt. Ik was, voor het eerst in lange tijd, de tegenwind zat.

Nederland functioneert, Nederland klopt. Maar wat werkt, valt minder op, blijft in de schaduw, moet het vaak stellen zonder de waardering die het verdient. Zoals een brandweerman die bewoners uit een brandend huis redt, een held wordt – en een ingenieur die een brandbestendig huis ontwerpt niet.

Sterker nog: wat werkt kan ook zo weer kapot. Als de dijken het houden bij hoog water, klinkt de roep om de waterschappen maar af te schaffen. Er is immers niemand verdronken. Maar is dat niet juist dankzij die waterschappen?

Als gereguleerde tandartstarieven werken, worden ze vrijgegeven. Als het natuurbeleid effectief is, gaat het op de schop. Als laagdrempelige rechtspraak bijdraagt aan de sociale vrede, wordt zij duurder gemaakt. En als het aantal verkeersdoden laag is, gaat de maximumsnelheid omhoog.

Terwijl Polen ijverig aan de toekomst bouwt met het herstellen van historische schade, lijkt Nederland bezig met het tegenovergestelde, met het afbreken van historisch kapitaal.

Binnen de muren van het paradijs zie je kennelijk te weinig waar je bent.