Vraag niet voor wie de klok luidt

Na 22 jaren als ‘literatuurcorrespondent’ bij NRC Handelsblad maakt scheidend chef Boeken Pieter Steinz de balans op. Over de plezierfactor, het wijde web van de wereldliteratuur en de mooiste afscheidsscènes, van Homerus tot Jacques Brel.

e krant kent veel tradities, maar een van de aardigste is het correspondentenafscheid. Bij het verlaten van de standplaats, na een jaar of vijf, schrijft ‘onze man of vrouw in …’ een alomvattend stuk over het land waar hij/zij gezeten heeft. Wat is er veranderd, hoe staat het ervoor, waar moet het heen? Wat heeft de correspondent geprobeerd om duidelijk te maken over het tijdelijke vaderland, en hoe is hij/zij zelf veranderd in de loop der jaren?

In de afgelopen 22 jaar was ik een van de NRC Handelsblad-correspondenten in boekenland, op verschillende standplaatsen: de inmiddels opgeheven Donderdag Agenda, het Cultureel Supplement, de kunstredactie en – gedurende de laatste vijftien jaar – de in 1996 opgerichte bijlage Boeken. Over ruim een maand treed ik aan als directeur van het Nederlands Letterenfonds en stop ik met het recenseren van Nederlandse literatuur. Mijn bijdragen aan Boeken zullen sporadisch genoeg worden om een afscheidsstuk te rechtvaardigen.

Toen ik in 1990 mijn eerste literatuurrecensie schreef (over de inmiddels in Nederland vergeten Amerikaanse romancier Thomas McGuane) was Ben Knapen hoofdredacteur van de krant, Lien Heyting chef Kunst en Reinjan Mulder redacteur literatuur. K.L. Poll en Karel van het Reve schreven nog af en toe een stuk voor het CS; Rudy Kousbroek was writer at large en Willem Frederik Hermans leverde zijn getypte bijdragen in op geel kopijpapier. Het legendarische televisieprogramma Hier is… Adriaan van Dis was in zijn zevende seizoen en concurreerde met de net opgezette boekenbijlage CS Literair om de aandacht van de serieuze boekenlezer en -koper. Meulenhoff en De Arbeiderspers waren aanzienlijke en florerende uitgeverijen, De Bezige Bij leidde een kwakkelend bestaan. De boekverkoop zat in een stijgende lijn, winkels als Donner en Scheltema breidden uit en heetten nog geen Selexyz. De prijs voor het commercieel succesrijkste Nederlandstalige debuut zou dat jaar gaan naar Ernst Timmer, die van Het waterrad van Ribe tweeduizend exemplaren verkocht. Van ‘het imploderen van het middensegment’, oftewel de teruglopende verkopen van boeken die geen superbestsellers worden, was nog geen sprake; de ‘bestsellercultuur’ had nog bescheiden trekjes, hoewel de televisiester Adriaan van Dis tot de best verkochte schrijvers behoorde. Met het e-book, internetpiraterij, celebrity- cultuur of toenemend autobiografisme in de literatuur hoefde niemand zich nog bezig te houden. Wel werd er angstig geschreven over het wegvallen van de vaste boekenprijs, de ontlezing, de popularisering van de literatuur, en niet te vergeten de teloorgang van de literaire kritiek.

Plus ça change, plus c’est la même chose? Wees gerust, ik zal dit artikel niet gebruiken voor een grundlegende Darstellung over de stand van zaken in de Nederlandse literatuur; dat gebeurt al met enige regelmaat in Boeken, bijvoorbeeld traditioneel in het laatste nummer vóór de jaarwisseling. Ook over de veranderende rol van de literair criticus – van cultuurpaus tot voorproever, van gevreesd alleenheerser tot primus inter lectores – is genoeg geschreven. Niet door mij trouwens. Misschien komt het doordat ik als historicus en anglist in de literatuurkritiek verzeild ben – en niet zoals zoveel van mijn collega’s als neerlandicus – maar ik schreef en las altijd liever een stuk over een boek of een interview met een schrijver dan een essay over de rol van de kritiek of het vermeende gezagsverlies van de boekbespreker. Het mooiste stuk dat in mijn jaren bij de krant in het CS heeft gestaan, vind ik dan ook ‘De plezierfactor’, een voorpagina-artikel waarin de jong gestorven wetenschapsredacteur Felix Eijgenraam schreef over zijn obsessieve leeshonger. Het stuk was geïllustreerd met grafieken en staafdiagrammen, beschreef tongue-in- cheek een systeem om in ‘boekenschriftjes’ te noteren welke boeken je las, die vervolgens te waarderen volgens het Michelin-sterrensysteem, en dan aan het eind van het jaar het aantal sterren door het aantal boeken te delen om zo te bepalen wat de plezierfactor van het voorbije jaar was.

Verreweg de hoogste plezierfactor (1,26) had voor mij 2002, wat niet kwam doordat het een uitzonderlijk goed jaar was voor de Nederlandse of buitenlandse literatuur, maar vooral doordat ik dat jaar elke week een klassieker (her)las ter bespreking in de serie De wereldliteratuur in 52 weekends in de toenmalige zaterdagbijlage Leven &cetera. Maar ook in de overige jaren – met plezierfactoren tussen de 0,29 (1994) en 0,68 (2004) – waren er ontdekkingen in de stapel literatuur die ik recenseerde: de debuten van Jeffrey Eugenides, Oscar Hijuelos, Gary Shteyngart en Donna Tartt; grote romans van Paul Auster, Michael Chabon, Michael Cunningham, Adriaan van Dis, Herman Franke, Arnon Grunberg, Herman Koch, J.J. Voskuil, Tommy Wieringa en niet te vergeten de vier Jonathans: Coe, Foer, Franzen en Littell. En elk jaar werden hoogtepunten uit de wereldliteratuur opnieuw vertaald en uitgegeven, en moesten ze besproken worden in rubrieken als Klassieken en Groot Kapitaal.

Die wereldliteratuur, en vooral het verband dat er tussen werken uit verschillende landen en tijden bestaat, is sinds 2002 mijn voornaamste werkgebied als literair correspondent geweest. ‘No man is an island’ schreef John Donne in het gedicht waarin ook de beroemde regel ‘Ask not for whom the bell tolls’ voorkomt, en voor romans en verhalenbundels geldt hetzelfde. Schrijvers worden beïnvloed door schrijvers, en beïnvloeden weer andere schrijvers. Boeken borduren voort op andere boeken, thema’s worden op verschillende manieren uitgewerkt, eeuwige personages keren in uiteenlopende vormen terug. Literatuur ontstaat niet in een (geografisch) vacuüm, maar is onderdeel van een wereldwijd web – iets dat ik in het afgelopen decennium heb geprobeerd te visualiseren in zogeheten boekwebben: schema’s waarin één werk uit de wereldliteratuur in de context van het oeuvre van de schrijver, zijn inspiratiebronnen en zijn invloed op andere schrijvers wordt geplaatst.

Vele tientallen van dit soort literaire webben heb ik voor de zaterdagkrant en de bijlage Boeken gesponnen, van De aanslag tot Der Zauberberg, van Homeros tot Jonathan Safran Foer, van Frank Martinus Arion tot Joost Zwagerman. Bij wijze van afscheid van het wijde web van de wereldfictie heb ik geprobeerd om de meeste van de door mij ingebedde schrijvers in één groot schema te krijgen, in de vorm van een stamboom van de westerse literatuur en uitgaande van de twee schrijvers (Homeros en Shakespeare) en twee boeken (de Bijbel en Don Quichot) die de grootste invloed op onze schrijvers hebben gehad [illustratie rechts]. Het is – om met James Joyce te spreken – work in progress (waar is Diderot, waar Joseph Roth, waar Mary Shelley, waar Machado de Assis?), ik houd me zoals altijd aanbevolen voor aanvullingen en verbeteringen; het mailadres p.steinz@nrc.nl is nog ten minste vier weken bereikbaar.

Over afscheid gesproken. Weinig thema’s in de wereldliteratuur zijn zo vruchtbaar geweest als het weggaan dat een vorm van blijven is. En dan bedoel ik niet dat er opvallend veel romans zijn met het woord ‘afscheid’ of ‘vaarwel’ in de titel, van de WO I-romans A Farewell to Arms (Ernest Hemingway) en Goodbye to All That (Robert Graves) tot Het afscheid (Ivo Michiels) en Goodbye, Columbus (Philip Roth). In een van de oudste literaire teksten, het Soemerische Gilgamesj-epos uit 2000 voor Christus, weigert koning Gilgamesj zich neer te leggen bij de dood van zijn boezemvriend Enkidoe – even aandoenlijk als tevergeefs. En in de Ilias van Homerus (750 v. Chr.) zit meteen de beroemdste afscheidsscène uit de wereldliteratuur: die waarin de held Hektor naar het slagveld gaat en op de muren van Troje afscheid neemt van zijn vrouw Andromache en zijn zoontje Astyanax. In de recente vertaling van Patrick Lateur:

Zo sprak de schitterende Hektor en

hij stak de handen naar zijn zoontje uit.

Het kindje krijste, angstig bij het zicht

van zijn geliefde vader, […]

bang voor brons en helmbos

van paardenhaar die het vol dreiging golven

zag boven op de helm. [Andromache]

drukte het tegen haar borst die heerlijk

geurde en lachte door haar tranen heen.

[...] en zo verwoordde Hektor wat hij toen voelde:

‘Ocharmen, laat je hart om mijnentwil

Niet al te zeer bedroefd zijn. Niemand werpt me

tegen mijn lotsbeschikking in de Hades.

Want niemand laf of dapper, zo beweer ik,

ontkwam zijn lot, zodra hij was geboren.’

Voor Andromache is dit een dramatisch afscheid; voor de lezer is het minder erg. Hij verkeert nog een tijdje in het gezelschap van Hektor, aangezien de Trojaanse held pas in Zang 22 aan zijn eind komt; bovendien is Hektor ook niet echt de sympathieke held van het verhaal. Veel erger voor een lezer is het als een personage dat hem dierbaar is geworden, komt te overlijden. Hoe graag zou ik hebben verhinderd dat Faust in het toneelstuk van Christopher Marlowe door de Duivel naar de hel wordt gesleept; dat Tess uit de gelijknamige roman van Thomas Hardy wordt opgehangen; dat de heldin uit de schitterende overspelroman The Awakening van Kate Chopin de zee in loopt; dat Lily Bart uit The House of Mirth van Edith Wharton een overdosis neemt; en dat Septimus Warren Smith uit Virginia Woolfs Mrs Dalloway zelfmoord pleegt.

Ook als een personage niet sterft in het boek, kan het afscheid zwaar vallen. Het is onverteerbaar om niet te weten hoe het afloopt met Hester Prynne, de trotse en sexy vrouw die in The Scarlet Letter de strijd aangaat met een stad vol Puriteinen; met Huckleberry Finn nadat hij westwaarts is getrokken (‘want Tante Sally die wil me adopteren en beschaven en daar kan ik niet tegen’); met Homer Wells die in The Cider House Rules van John Irving na een ongelukkige liefde terugkeert als arts in het wees- annex abortushuis waar hij zelf is opgegroeid; met Pippi Langkous, Tommy en Annika nadat ze hun ‘lief klein pilletje peperneut’ hebben geslikt.

Afscheid in de literatuur komt in alle soorten en maten [zie ook illustratie boven]. Er is afscheid van het leven, bijvoorbeeld in Dood voor het vaderland (1961) van Yukio Mishima, die zelf de weg van zijn hoofdpersoon ging. Er is afscheid van je oude leven, zoals in Bernlefs Hersenschimmen of Coetzee’s Disgrace. Er is afscheid van een oude wereld, zoals in Radetzkymarsch van Joseph Roth (‘Hij zag de wereld ondergaan en het was zijn wereld’) of De Tijgerkat van Giuseppe Tomasi di Lampedusa (‘Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles anders worden’). Er is afscheid van je dromen en je idealen (Kaas, Nooit meer slapen) en van je jeugd. Denk maar aan het begin van Waughs Brideshead Revisted (‘Et in Arcadia ego’) of het even betoverende einde van The Virgin Suicides (1993) van Jeffrey Eugenides: ‘Uiteindelijk was het niet van belang hoe oud ze waren geweest, of dat ze meisjes waren, maar alleen dat wij van hen hadden gehouden en dat zij ons niet hadden horen roepen en ons nog steeds niet horen, hier hoog in onze hut in de boom, met ons dunnende haar en onze zachte buik’ (vert. Mieke Lindenburg).

Maar het aangrijpendste afscheid in de literatuur is natuurlijk dat tussen twee geliefden, liefst star-crossed zoals Romeo en Julia, Dido en Aeneas of Mr Stevens en Miss Kenton uit The Remains of the Day van Kazuo Ishiguro. Er is een mooie bloemlezing uit samen te stellen, met een ereplaatsje voor de mooiste literaire afscheidsscène die ik ken, die van de man en de vrouw uit ‘Orly’ van Jacques Brel. Blind en doof voor de omgeving, gadegeslagen door de dichter-zanger, danst het paar een treurige choreografie van uit elkaar gaan en niet uit elkaar kunnen gaan. Als de man zich uiteindelijk losrukt, weten we dat dit een afscheid is voor altijd. ‘Elle a perdu des hommes / Mais là elle perd un amour,’ staat er. En de ik-figuur kan het weten. Hij is het die de twee geliefden van een afstand gadeslaat. Door zijn ogen zien we hun verdriet; hij interpreteert hun gezichtsuitdrukkingen. Het lijkt alsof hij ze kent, die twee; misschien is hij wel verliefd op de vrouw en realiseert hij zich hier, op dit Parijse vliegveld, dat hij nooit zo’n indruk op haar zal maken als de man die nu door de douane gaat. Het van melancholie en eenzaamheid doortrokken refrein van zijn lied (‘Nom de dieu c’est triste, Orly le dimanche’) geldt dan niet alleen het scheidende koppel, maar ook hemzelf.

Is er dan nooit een vrolijk afscheid in de literatuur? Veel meer dan de slotscène van Margaret Mitchells Gone with the Wind (‘Frankly, my dear, I don’t give a damn’) schiet me niet te binnen, maar dat was natuurlijk alleen vrolijk voor de lezer en Rhett Butler, en niet voor Scarlett O’Hara. Misschien is een wijs en waardig afscheid wel het beste waar we op mogen hopen. De laatste zinnen van Marguerite Yourcenars Mémoires d’Hadrien bijvoorbeeld, vertaald door Jenny Tuin:

‘Wat ik in staat was te zeggen is gezegd; wat ik kon leren is geleerd. We zullen ons een tijd lang met andere werken bezighouden.’