U staat in uw hemd, meneer

De Leidse classicus en bibliothecaris Jacob Geel verweerde zich met verve tegen alle poëtische nieuwlichterij. Met satanisch genoegen stak deze 19de-eeuwse Karel van het Reve de draak met de pedanterie van zijn tegenstanders.

Jacob Geel: Onderzoek en phantasie. Inleiding en commentaar Willem van den Berg en Piet Gerbrandy. Verloren, 333 + 332 blz. € 49,–

Rick Honings: Geleerdheids zetel, Hollands roem! Het literaire leven in Leiden 1760-1860. Primavera Pers. 497 blz. € 39,50

‘De goede dingen komen in Nederland altijd een weinig achteraan’, schreef Conrad Busken Huet in 1872. De Nederlandse literatuur van de 19de eeuw liep achter op de rest van Europa: sinds de Tachtigers is dit het algemene beeld. En hoe hard de kenners ook hun best doen, het is ze tot op heden niet gelukt het publiek te overtuigen. Terwijl Stendhal, Dickens, Balzac, Novalis, Hoffmann, Hugo, Shelley en Byron nog worden gelezen als levende klassieken, leven Bilderdijk, Tollens, Beets, Da Costa en Van Lennep alleen als straatnamen. Dat is niet eerlijk. Maar hoe komt het?

Het Nederlands is sinds de 19de eeuw veel meer veranderd dan het Frans, Engels of Duits, het doet nu raar en vreemd aan. En dan is er het moralisme, vaak religieus gemotiveerd, dat de moderne lezer op hygiënische afstand houdt. Als we naar de ideeën kijken, valt het met dat achterlopen eigenlijk wel mee. Men wist vaak best wat er gaande was in de rest van Europa, maar volgde het slaafs na of wees het af met dubieuze argumenten.

Een mooi voorbeeld van dat laatste is de Leidse classicus Jacob Geel (1789-1862), nu nog vooral bekend om zijn Gesprek op den Drachenfels (1835), een kritische reactie in dialoogvorm op de destijds nieuwe romantische poëzie. Zowel de Duitse als de Franse romantiek moeten het bij Geel ontgelden: romantici zouden zich verlustigen in de ‘razernijen van krankzinnigen’ en een ziekelijke voorkeur hebben voor alles wat ‘onzinnig’ en ‘afzigtelijk’ is. Namen worden niet genoemd, maar moet dit echt slaan op Schlegel, op Novalis, op Hugo?

Transpiratie

Ook in zijn essaybundel Onderzoek en phantasie (1838) wordt de romantiek bestreden. Poëzie is meer een zaak van transpiratie dan van inspiratie, zo blijkt uit een ‘Gesprek op een Leidschen buitensingel over poëzij en arbeid’. Telkens komt er studie, kennis, en dus arbeid aan te pas. Een geïnspireerd genie zonder voldoende taalvaardigheid zal nooit een geslaagd gedicht schrijven. Het is onzin dat een dichter alles van hogerhand krijgt ingefluisterd, hij moet er wel degelijk zijn best voor doen. Romantici als Schlegel of Novalis zouden het niet hebben ontkend. Maar Bilderdijk, de eigenzinnige romanticus van eigen bodem, die de ware poëzie uitsluitend aan het goddelijk geïnspireerde ‘gevoel’ toeschreef, kon het in zijn zak steken.

Ondanks zijn extreem orthodox-christelijke levensbeschouwing werd Bilderdijk door velen bewonderd als de belichaming van de ware dichter. De ironicus Geel moet er tamelijk allergisch voor zijn geweest. Wel laat hij Bilderdijk in een ander essay optreden als gesprekspartner van Schiller in de onderwereld. Bilderdijk, die zoals de meeste Nederlanders niets wilde weten van het ‘duistere’ Duitse denken, wordt door Schiller subtiel op zijn nummer gezet: over de ondichterlijke, materialistische inslag van de Nederlanders blijken beiden dezelfde opvattingen te koesteren. Minder duidelijk is wat Geel, zelf toch ook geen liefhebber van Duitse metafysica, met dit dodengesprek heeft willen zeggen. Dat probleem doet zich vaker voor bij deze essays.

Onderzoek en Phantasie is nu heruitgegeven in twee fraaie delen: in het ene deel staat in facsimile de tekst van de tweede druk, het andere deel is gevuld met inleiding en commentaar van Willem van den Berg en Piet Gerbrandy. Zoveel kritische begeleiding is nodig om te snappen waar het Geel om te doen was. En om oog te krijgen voor wat er bijzonder is aan deze essays. Dat blijkt vooral hun ongedwongen, op spreektaal lijkende stijl te zijn. De stijl is ‘de mens’, betoogt Geel in een essay over deze kwestie, en kon dus niet uit voorschriften worden afgeleid. Bij hemzelf hangen stijl en humor nauw samen. Als spreker (en veel van de essays waren in eerste instantie lezingen) stond hij bekend als iemand die de lachers op zijn hand kreeg. Maar lachen om Geels humor of deze zelfs maar opmerken, is nu een stuk minder eenvoudig geworden. Dankzij Van den Berg en Gerbrandy kon er bij mij in elk geval een glimlach af. Bijvoorbeeld als Geel in het genoemde ‘Gesprek op een Leidschen buitensingel’ zijn romantische gesprekspartner verzekert dat deze niet in een ‘Socratisch gesprek’ zal worden gelokt, terwijl dat allang gebeurt.

In een ander essay is het grappig hoe Geel de spot drijft met de onderwerpen van de prijsvragen die literaire genootschappen als de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde plachten uit te schrijven. Over de mogelijke bruikbaarheid van het Chinese schrift voor de Europese talen gaat hij net zo lang door tot het onderwerp volslagen absurd wordt. Uit het commentaar begreep ik dat hij er ook niet voor terugdeinsde om aanwezige coryfeeën in hun hemd te zetten door ze te parodiëren. Hun hemeltergende plechtstatigheid en pedanterie vormen de achtergrond van Geels optreden. ‘Van onnodigen omslag en winderige formaliteiten ben ik een geslagen vijand en ik steek er den draak mee’, schreef hij. Ondanks de vreemde formulering wordt zo toch duidelijk wat de aantrekkelijkheid van Jacob Geel moet zijn geweest. Probeer in hem een 19de-eeuwse Karel van het Reve te zien, en de afstand tussen toen en nu wordt op slag verkleind.

Kraters

Met zijn spot heeft Geel er vast toe bijgedragen dat de genootschappen, door hem getypeerd als ‘uitgebrande kraters’, geleidelijk aan belang hebben ingeboet. Dat verhinderde hem overigens niet jarenlang in de verschillende Maatschappijen actief te blijven. Veel anders was er ook niet, en misschien moeten we hier wel de voornaamste oorzaak zoeken voor het achterblijven van de Nederlandse letteren. Een moderne literaire infrastructuur, compleet met esthetische autonomie, een vitale kritiek en een centrale rol voor de tijdschriften in plaats van deze uit de achttiende eeuw stammende genootschappen, zou in Nederland pas later in de eeuw ontstaan.

Hoe het er tot die tijd aan toe ging in Leiden, waar Geel de kost verdiende als bibliothecaris van de Universiteitsbibliotheek, komen we te weten in de boeiende dissertatie van Rick Honings Geleerdheids zetel, Hollands roem! Het literaire leven in Leiden 1760-1860. Geïnspireerd door de Franse socioloog Bourdieu laat Honings zien hoe institutionele condities en poëticale ontwikkeling met elkaar samenhingen. Binnen de belangrijkste genootschappen ging men er aanvankelijk vanuit dat poëzie moest beleren en vermaken, het klassieke adagium dat het grootste nut garandeerde; gedichten dienden daartoe te worden geschreven volgens vaste regels. Maar mede als gevolg van buitenlandse invloeden moest deze classicistische regel-esthetica wijken voor meer romantische opvattingen over het dichterlijke genie dat allereerst uit eigen gevoel of verbeelding putte. Met de genootschappen, waar men elkaars dichterlijke productie vlijtig placht te corrigeren en te ‘beschaven’, waren die opvattingen moeilijk te verenigen. Toch bleven ze de hele eeuw door bestaan (en remden de ontwikkeling) vanwege de gezelligheid en de carrièremogelijkheden die ze boden. Bilderdijk, maar ook de jonge Beets, een romantische geest die door Geel meer dan eens op de hak werd genomen, waren mede om die reden niet te beroerd om eraan deel te nemen.

In Honings’ overvolle boek komt nog veel meer aan bod. Vooral zijn behandeling van de verwevenheid van politiek, maatschappij en letterkunde aan de hand van concrete voorbeelden als de buskruitramp van 1807 en de Belgische Opstand van 1831, is zeer geslaagd. Maar de hoofdlijn bestaat uit het wel en wee van de belangrijkste genootschappen. Van tijd tot tijd komen we daar Geel tegen, tot hij zijn lidmaatschappen opzegde: in één geval omdat men tegen zijn zin jonge romantici als Beets en Kneppelhout (Klikspaan) had toegelaten. Deze reactie is tekenend: enerzijds was hij ervan overtuigd dat de literatuur met haar tijd mee moest gaan, anderzijds kon hij de nieuwe romantiek niet accepteren aangezien de klassieke ideeën van Aristoteles en Horatius zijn poëticale horizon bleven. Dat het in Nederland niet opschoot, kwam niet door Jacob Geel, maar bespoedigd heeft hij de gang van zaken slechts zeer ten dele.