Springspinnen zien diepte door onscherp te zien

Om diepte te zien, hebben springspinnen genoeg aan één oog. Ze schatten afstanden op een manier die niet eerder vertoond is, beschrijven Japanse onderzoekers vandaag in Science. De spinnen zien diepte door onscherp te zien. Ze hebben er groen licht voor nodig.

Springspinnen zijn kleine spinnetjes met acht ogen waarvan er vier vooruit kijken. De fotogenieke springspin op de foto is de Phidippus mystaceus. De Japanners onderzochten de algemene soort Hasarius adansoni (6 - 8 mm).

Van zijn vier vooruitkijkende ogen heeft een springspin maar één ‘middenoog’ nodig om afstanden te schatten. De clou is dat zo’n oog niet één netvlies heeft, maar vier, boven elkaar. De twee onderste netvliezen zijn gevoelig voor groen licht. Tegelijkertijd heeft het spinneoog maar één lens.

Die lens kan dat groene licht niet op twee netvliezen tegelijk afbeelden. Op het onderste ‘groene’ netvlies is het beeld altijd scherp, op het onderste onscherp. Hoe onscherp, varieert met de afstand.

Voorwerpen (zeg: smakelijke vliegjes) die dichtbij zijn, zien er vager uit dan verre vliegjes. Dat verschil gebruikt de springspin om afstanden te schatten. Het groene licht is essentieel. Op een filmpje van het Japanse experiment is te zien dat de spinnen onder een rode lamp consequent mis springen. Daglicht bevat alle tinten licht.

In het dierenrijk bestaan nog een paar andere, afwijkende mechanismen om diepte te zien. Onder meer kameleons zien diepte door tijdens het bestuderen van hun omgeving hun ogen minder of meer te focussen. En sommige insecten bewegen hun kop tijdens het kijken, en leiden de diepte af uit de verschuiving.

Bekijk het filmpje op http://nrch.nl/5wg