Pim Fortuyn wás Jay Gatsby

Kijk naar het huis, de vrienden en het gedachtengoed van Jay Gatsby, hoofdpersoon van Scott Fizgeralds roman The Great Gatsby: alles doet denken aan een andere tragische held: de ‘Grootste Nederlander’ Pim Fortuyn.

The Great Gatsby, Scott Fitzgeralds roman uit 1925 over een nouveau riche die wordt ingehaald door zijn schimmige verleden, is een boek van alle tijden. Het is niettemin verleidelijk parallellen te zoeken met het heden. Voor de NRC Leesclub legde Pieter Steinz het verband met de economische crisis van nu (Boeken, 16.12.11): ‘Het kleine beetje moraal dat Fitzgerald, zijn verhaal meegeeft klinkt de toeschouwers van de huidige bankencrisis maar al te bekend in de oren: de nieuwe rijken „maakten dingen en mensen kapot en trokken zich dan weer terug in hun geld of in hun onmetelijke onachtzaamheid […] en lieten andere mensen de troep opruimen die ze hadden gemaakt…”.’

De handelaars in vastgoed en speculanten van wat tegenwoordig hedge funds heten, vierden in het boek van Fitzgerald hun feestje. Beter dan met de huidige crisis valt dat te vergelijken met de euforie die aan de crisis voorafging, de manische periode die een depressie inluidt. The Great Gatsby was tien jaar geleden actueel, tijdens de opkomst en ondergang van Pim Fortuyn. De hoofdpersoon uit de roman doet mij dan ook onweerstaanbaar denken aan deze even flamboyante als tragische held uit onze recente geschiedenis.

Jay Gatz alias Gatsby en Pim Fortuyn vertonen griezelig veel overeenkomsten. Alleen al de eenvoudige, provinciale komaf van Pim Fortuyn, die om chic te lijken de ij in zijn achternaam naam in een y veranderde, zoals ook Gatsby een y aan zijn achternaam toevoegde. Gatsby schepte op over zijn vermeende studie in Oxford, Pim Fortuyn bleef zich professor noemen toen hij allang geen bijzonder hoogleraar meer was. En dan de opzichtige wijze waarop beide nouveaux riches zich kleedden, hun overhemden, dassen, pakken, en het gepronk met hun kastelen van huizen en protserige auto’s. Denkend aan Fortuyns ‘Palazzo di Pietro’ kreeg ik zelfs het idee dat Gatsby het rolmodel voor Pim is geweest en Gatsby’s ‘chateau’ het voorbeeld voor zijn Rotterdamse paleis. Of neem de ‘vrienden’ van Fortuyn die op zijn succes probeerden mee te liften. Zij leken zo uit Gatsby’s feesten weggeplukt.

Het verwaten stelletje dat na de moord op Fortuyn de LPF-fractie vormde, vierde een paar maanden het uitzinnige almachtsfeest van parvenu’s die even mee mochten doen met de macht. Bij de verkiezingen in 2002 haalde de Lijst Pim Fortuyn 26 zetels en werd meteen toegelaten tot de regering. Herinnert u zich Herman Heinsbroek nog, die even minister van Economische zaken was? HP/De Tijd wijdde een artikel aan deze ‘onconventionele multimiljonair’ en noemde ‘het nouveau riche- troeteldier Jan des Bouvrie’ als degene die Heinsbroek aanbeval bij zijn buurman en LPF’er Ferry Hoogendijk. ‘Heinsbroek aarzelde aanvankelijk […] maar zijn hang naar roem en erkenning is nou eenmaal onmetelijk groot.’

Zulke mensen bevolkten de 21ste-eeuwse versie van Gatsby’s vermaarde feesten: louche zakenlieden, Bekende Nederlanders, Harry Mens-achtige types en allerhande profiteurs die op roem of baantjes uit waren. De plek waar Gatsby zijn feesten gaf in het fictieve dorp West Egg op Long Island, doet denken aan dorpen in het Gooi waar de Nederlandse nieuwe rijken wonen.

Waarover praatten zij tijdens hun bijeenkomsten? Ik vermoed dat hun gesprekken weinig verschilden van de discussies in de kringen waar Gatsby graag toe wilde behoren en die hij, omdat zijn grote liefde Daisy daar deel van uitmaakte, naar zijn feesten probeerden te lokken. Tom en Daisy Buchanan zijn weliswaar geen parvenu’s, maar dat maakt ze niet minder primitief dan Gatsby. Alle drie komen ze uit het conservatieve, racistische Midwesten en geen van drieën voelen ze zich thuis aan de kosmopolitische Oostkust. De enige bagage die ze hebben is geld.

Knickerbockers

Ik heb me, wegens de gedetailleerde namenlijst van Gatsby’s gasten, vaak afgevraagd in hoeverre The Great Gatsby een sleutelroman is over de New Yorkse nouveau riches van de jaren twintig. Voor mij intrigerend, komt er ook een zekere Etty voorbij: ‘Clarence Endive kwam maar één keer, in witte knickerbockers en ging in de tuin op de vuist met een niksnut, Etty genaamd.’ Er zijn veel studies gedaan naar deze passage, zoals naar elke passage in The Great Gatsby, maar wie Etty was en waarom Clarence Endive het nodig vond om met deze niksnut op de vuist te gaan, is nooit opgehelderd.

Wie weet werd Etty in elkaar geslagen wegens zijn of haar opvattingen, waarvan ik hoop dat zij diametraal tegenover die van Gatsby’s kennissen stonden, zoals Tom Buchanan met zijn opmerking: ‘Heb je De opkomst van de heerschappij der gekleurde volkeren van die Goddard gelezen? […] Het uitgangspunt is dat, als we niet uitkijken, het blanke ras – eh, verzwolgen zal worden. Wij, die het dominante ras zijn, moeten oppassen of anders zullen die andere rassen de lakens gaan uitdelen.’

‘We moeten ze onderdrukken’, antwoordt Daisy daarop. En Tom vervolgt: ‘De gedachte is dat we noorderlingen zijn. En wij hebben al die dingen voortgebracht die samen de beschaving vormen – zoals, wetenschap en kunst, en al dat soort dingen.’

Het fictieve boek van Goddard is gebaseerd is op twee titels die begin jaren twintig in de mode waren: The Rising Tide Of Color Against White World-Supremacy van Theodore Lothrop Stoddard en The Passing of the Great Races van Madison Grant. Deze racistische antropologen vonden dat het ‘Noordse ras’ superieur was en behouden moest blijven via eugenetica. Ze keerden zich tegen de grote aantallen immigranten begin jaren twintig uit Zuid- en Oost-Europa.

Naar aanleiding van de aanscherping van de Amerikaanse immigratiewet uit 1924 schreef Stoddard: ‘Het is volkomen terecht dat onze huidige immigratiepolitiek Noord-Europeanen bevoordeelt boven mensen uit andere delen van Europa, en dat niet-blanke rassen die naar binnen willen, nog strenger worden gediscrimineerd. De voornaamste reden hiervoor is niet een theorie over rassensuperioriteit, maar de meest fundamentele en volkomen legitieme van alle menselijke instincten, namelijk zelfbehoud.’

Pim Fortuyn maakte zich niet schuldig aan racisme, maar was wel een tegenstander van wat hij ‘niet westerse immigranten’ noemde. In 1997 publiceerde hij zijn boek Tegen de islamisering van onze cultuur en in 2002 verklaarde hij: ‘Als ik het juridisch rond zou kunnen krijgen, dan zou ik gewoon zeggen: er komt geen islamiet meer binnen. Ik ben ook voor afschaffen van dat rare Grondwetsartikel: gij zult niet discrimineren.’ Verder noemde hij de islam ‘een achterlijke cultuur’ . Kort daarna zei hij over Nederlandse moslims: ‘We hebben godverdomme hier gewoon een vijfde colonne! Van mensen die het land naar de verdommenis willen helpen.’

Droomvrouw

Wat Tom Buchanan en Pim Fortuyn gemeen hebben is hun provincialisme, hun xenofobie en de ellendige omstandigheid dat ze omringd werden door mensen die hen naar de mond praatten. Daisy, Gatsby’s droomvrouw tegen wie hij zo huizenhoog opziet wegens haar vermeende beschaving, is een geborneerd leeghoofd. Zij vindt dat ‘wij’ als dominante ras anderen moeten onderdrukken.

Maar Pim Fortuyn heeft meer gemeen met Gatsby dan met Tom Buchanan, de schurk in het boek, die zijn maîtresse een gebroken neus slaat, maar z’n eigen vrouw geen minnaar gunt omdat hij voor family values is. Gatsby en Fortuyn stonden totaal anders in het leven dan Tom: onconventioneel en behept met een energie, vrolijkheid en fantasie die – hoe hun patserigheid je ook tegen de borst stuitte – sympathie opriepen. Gatsby en Fortuyn waren beiden tragische helden.

Scott Fitzgerald beschrijft Gatsby als iemand ‘die aan de platonische conceptie van zichzelf was ontsproten’, precies zoals Fortuyn die zijn eigen mythe had gecreëerd. Ze joegen allebei met een aan krakzinnigheid grenzende inzet een droom na, waarvan niet duidelijk was wat die precies inhield. Waarschijnlijk een obsessief streven naar zelfverwezenlijking, waarin iedereen wel iets herkent.

In 2004 werd Fortuyn in het gelijknamige KRO-tv-programma gekozen tot ‘De Grootste Nederlander’, waarmee de parallel met de Grote Gatsby compleet is. Bij allebei zag je het drama levensgroot aankomen: ze verlangden te veel en werden door gestoorde specimen van het noordelijke ras neergeknald. Gatsby werd vermoord aan het eind van de zomer van 1922 – zeven jaar later was de beurskrach. Pim Fortuyns feest eindigde in mei 2002, zeven jaar later zat Nederland, met de rest van de westerse wereld, in de zwaarste economische crisis sinds de jaren dertig.

Laten we hopen dat de historische parallel hier ophoudt.