Perfecte race is een illusie

Dit weekend zijn de WK sprint in Calgary. Het is onmogelijk een foutloze 500 meter te rijden, zegt de snelste mens ooit op het ijs.

Redacteur Schaatsen

Calgary. Toevallig rekende Jeremy Wotherspoon een maand geleden uit hoeveel races hij in zijn lange carrière moet hebben gereden. Aanleiding was een opmerking van een van zijn pupillen, Cristina Radu. „Ik heb al zó veel races gereden in mijn leven, en ik kan nog steeds niet goed schaatsen”, had de jonge Roemeense wanhopig uitgeroepen. Een snelle rekensom had Wotherspoon geleerd dat hijzelf, in zijn vijftien jaren aan de wereldtop, zo’n 750 keer aan de start moet zijn verschenen. „Hoeveel races daarvan perfect waren? Geen één. Ik heb nooit de perfecte race gereden.”

De 35-jarige Canadees stopte twee jaar geleden met schaatsen, maar staat nog altijd te boek als de snelste mens ooit op het ijs. Met afstand. Niet minder dan 51 keer finishte hij op de 500 meter binnen 34,75 seconden. Het wereldrecord dat hij op 9 november 2007 in Salt Lake City reed (34,03 seconden) werd nooit meer serieus bedreigd – behalve door hemzelf.

Het sprintfenomeen is terug op het razendsnelle ijs van de Olympic Oval in Calgary, de baan die hij kent als geen ander. Intussen is hij coach bij de Kia Speedskating Academy in Inzell, waar hij zijn kennis deelt met relatief onbekende schaatsers als de Let Haralds Silovs en de Poolse sprinter Artur Was. Het uitgangspunt, tijdens de lessen van de meester: „De snelste sprinter is de schaatser die zijn kracht het beste omzet in snelheid op het ijs”, zegt Wotherspoon in Calgary.

Uitvinden hoe een schaatser dat proces het meest efficiënt uitvoert is al jaren zijn dagtaak. Hij zag ze allemaal voorbij komen: kleine, razendsnelle Aziaten; oersterke, bonkige Russen; lange, ranke Europeanen en Noord-Amerikanen. Lange schaatsers, zo rond de 1,85 meter, zijn het meest geschikt, zegt Wotherspoon, met zijn 1,90 meter nog iets langer.

„Natuurlijk hebben de Aziaten veel snelheid op de eerste honderd meter, omdat zij een hoge slagfrequentie hebben. Maar dat kost heel veel energie; ze houden het geen 500 meter vol. Langere schaatsers kunnen meer gewicht in hun slag leggen. Ze houden hun hoge snelheid langer vol.”

Hij wil hem wel beschrijven, die perfecte 500 meter waar hij al die jaren naar streefde. Te beginnen bij het startschot. „Toen ik klein was dacht ik altijd: zo snel mogelijk reageren op het startschot. Maar dat is niet belangrijk: je reageert toch wel. Als je te snel wilt maak je vaak een sprong, waardoor je je schaats te ver naar voren zet. Je moet je voet juist in een positie brengen van waaruit je goed kunt accelereren. Mijn knie blijft vóór mijn voet. Bij het schot heb ik het woord ‘knie’ in mijn hoofd.”

Na de knal volgen de eerste tien, vijftien meter, de fase voor het glijden. „Heel belangrijk: laag blijven. Ik blijf accelereren. Vlak voor de opening krijg ik een flits in mijn hoofd: zit je wijd genoeg voor de bocht? Als je te krap de bocht ingaat kom je te dicht op de blokjes. Ik hoor of zie mijn openingstijd niet. Mijn coach geeft niks aan op de kruising. Maar wat maakt zo’n rondebord uit? Wat ga ik met die informatie doen?”

Na de kruising volgt de tweede bocht – cruciaal op de sprint. „Vlak daarvoor haal ik mijn hoogste snelheid. Daar voel ik me op mijn best. In mijn hoofd gaat het van: Go! Go! Power! Power! Maar je voelt ook de eerste vermoeidheid. Niet die brandende benen van de langere afstanden. Je voelt ze minder, dus je verliest wat controle. Maar ik leun vol in de bocht, duw mijn schaatsen in het ijs, vertrouw op mezelf.” Nog maar honderd meter naar de finish. „Goed laag blijven, niet gaan rennen en mezelf verliezen. Blijven schaatsen tot de streep.”

De valkuilen op de 500 meter: de start, het spiegelgladde ijs, snelheden boven de 60 kilometer per uur, tientallen blokjes, een kruising, een tegenstander – en twee bochten. Vooral die angstaanjagende laatste binnenbocht. We gaan het dit weekeinde weer zien op de WK sprint in Calgary, voorspelt Wotherspoon: rijders die ongewild ‘stoppen’ met schaatsen in die laatste binnenbocht, gedreven door de angst eruit te vliegen.

Zijn onwaarschijnlijke wereldrecord op de 500 meter staat nog altijd overeind. Hij ziet het niet zo snel uit de boeken verdwijnen. „Gebaseerd op wat ik dit seizoen heb gezien denk ik niet dat het dit weekend wordt verbeterd.” Vorige week kwam de Japanner Keiichiro Nagashima in Salt Lake City met 34,37 nog het dichtst bij – maar drietiende van een seconden is een eeuwigheid, op de 500 meter.