Op reis naar het verre rovershol

In het midden van de 19de eeuw trokken twee deftige Haagse dames door duister Afrika, op zoek naar het ultieme avontuur. Ze vonden het.

Robert Joost Willink: The Fateful Journey. The Expedition of Alexine Tinne and Theodor von Heuglin in Sudan (1863-1864). Amsterdam University Press, 455 blz. € 49,50

Koningin Sophie, echtgenote van koning Willem III, had hen gewaarschuwd. Ga niet verder, keer op je schreden terug, en kom langs op het paleis. Maar Henriette Tinne en haar dochter Alexine (ook wel: Alexandrine) zetten door: Egypte verkennen, de Nijl op, de Witte Nijl op, naar Khartoem, nog zuidelijker, naar Gondokoro – en misschien haalden ze het Victoriameer wel, de bron van de Witte Nijl.

Beide dames waren nieuwsgierig, reislustig, standbewust en eigengereid. Het noorden en zuiden van Europa hadden ze al afgegraasd, nu zochten ze het ultieme avontuur, ontmoetingen met Soedanese stammen als de Dinka en Niam Niam en misschien ook de status van de eerste blanke, Europese vrouwen die Centraal-Afrika verkenden.

Henriette (1796-1863) en Alexine Tinne (1835-1869) behoorden tot de Haagse haute bourgeoisie, en aan het Lange Voorhout ontbrak het hen aan niets – dankzij het vermogen van Henriettes eerste echtgenoot, reder en handelaar in suiker, koffie en slaven. Alexine, al jong geïnteresseerd in geografie en fotografie, nam het initiatief om na twee eerdere verkenningen van het Midden-Oosten nu eens echt grondig door te stoten.

In 1862 trokken de dames oostwaarts voor hun Bahr el-Ghazal-expeditie (1863-1864), genoemd naar een rivier en regio in Soedan. Meubilair, spiegels, matrassen, Alexines ‘foto-lab’ – al het Haagse comfort moest mee, plus twee dienstboden. Eenmaal in Kaïro schafte Alexine onder meer een karabijn aan om ‘eindelijk eens een nijlpaard of neushoorn neer te leggen’. En ze huurde vijf boten om hun proviand, hun vijf honden, hun weidse crinolines en onderrokken, tientallen muilezels en een staf van zo’n 150 dragers en bewakers te vervoeren.

Deze ‘triomfantelijke optocht’, zoals Alexine juichte, zou al snel ontaarden in een logistieke nachtmerrie. Wanneer slagregens, waterstanden, plantenwoekeringen of tussenstops hen het land op dirigeerden, moesten zo’n honderd kamelen worden opgetrommeld voor verder transport van mensen en lading.

Historicus Robert Joost Willink, verbonden aan de Leidse universiteit als Afrika-onderzoeker en geïntrigeerd door Alexines etnografische nalatenschap, reconstrueert in The Fatal Journey deze onderneming tot in de finesses. Hij kon beschikken over het familie-archief van de Tinnes, waar Clara Eggink voor haar boek De merkwaardige reizen van Henriëtte en Alexandrine Tinne (1960) geen toegang toe kreeg. Tussen de brieven en beslommeringen van de dames door schakelt Willink in zijn boek ook steeds over naar het traject, het veldonderzoek en de publicaties van Theodor von Heuglin, een Duitse zoöloog, geograaf en ontdekkingsreiziger die meetrok in het kielzog van de Tinnes en hen met zijn expertise bijstond. Geen notitie van Heuglin, geen reisverslag is aan Willinks aandacht ontsnapt.

Klimaat

Wat de dames vooral zou opbreken was de onhandelbare omvang van hun karavaan, het ongezonde klimaat in Soedan en de corrupte handelaren die hen keer op keer een poot uitdraaiden. De Soedanese hoofdstad Khartoem, waar de Blauwe en Witte Nijl samenkomen, leek destijds wel een multicultureel rovershol, waar elke onverzadigbare Arabier, Egyptenaar, Turk of Europeaan zijn zakken zat te vullen.

De slavenhandel was in 1862 door de VS wel officieel afgeschaft, maar dat feit had Khartoem niet bereikt. Want in omringende dorpen ging men zoals van ouds gewoon door met het leegkammen van dorpen: opstandige mannen werden vermoord, vrouwen en kinderen weggevoerd, om in een ander dorp of waar dan ook verkocht te worden. Alexine maakte zo’n drama mee en nam enkele slachtoffers onder haar hoede.

Plaatselijke heersers en Europese zakenlui hadden het daarnaast voorzien op ivoor, gewild in het westen voor biljartballen, pianotoetsen en toilet-artikelen.Een slagtand bracht zo’n 25 pond op. Afgaande op de louche types die Willink opvoert en de hoeveelheden ivoor die beschikbaar waren, is het een wonder dat er nog olifanten rondlopen.

Aan de corruptie van ambtenaren en handelaren konden de dames financieel nog wel een mouw passen. Maar wat zij onderschat hadden waren de weersomstandigheden. Uit hitte, vochtigheid en vermoeidheid ontkiemden koortsaanvallen, dysenterie, schurft en wat dies meer zij. Eerst overleed Henriette, de moeder van Alexine, kort daarna hun dienstboden Anna en Flore en ook Henriettes zuster Adriana van Capellen, die een deel van de reis meemaakte, bleek niet tegen het klimaat bestand. En dan sloegen onderweg – als ze al niet het loodje hadden gelegd – ook nog eens de dragers en soldaten aan het muiten – in een ‘leger’ van inmiddels 550 man – wegens tekort aan voedsel en onderdak.

Vier dierbare doden verder wilde Alexine alleen nog maar terug naar Kaïro. De kisten van haar moeder en een van de dienstboden reisden mee en werden op halteplaatsen begraven en weer opgegraven. Maar onderweg sloeg wederom het noodlot toe: Musha Pasha, de gouverneur van Soedan, beschuldigde Alexine van slavenhandel. Wat deden die zwarte mannen, vrouwen en kinderen anders aan boord van die boot? Dat Alexine de zorg voor deze mensen op zich had genomen – misschien wel uit schuldgevoel over de lucratieve slavenhandel van haar stiefvader – werd in zulke criminele contreien afgedaan als een sprookje. Zelfs de tussenkomst van koning Willem III bood geen soelaas. De beschuldiging en de enorme boete bleven overeind.

Uiteindelijk besloot Alexine voorgoed in Kaïro te blijven. Zij durfde in Den Haag vrienden en bekenden, wegens de tol die de reis geëist had, vermoedelijk niet meer onder ogen te komen. In de smalle straten van Kaïro kon je in een Arabisch gewaad, inclusief sluiter, tegenkomen, rijdend op een zwarte ezel. Een mooi oriëntaals kasteel wilde ze laten bouwen, maar de autoriteiten gaven daar geen toestemming voor.

Toearegs

Tijdens de zomer van 1865, toen ze samen met haar Soedanese huisgenoten, de ‘slaven’ van weleer, naar Griekenland, Italië en Frankrijk zeilde, kreeg ze toch weer de smaak te pakken. Waarom niet nog een keer op expeditie, en dan nu eens door de Libische woestijn, om er kennis te maken met de Toearegs?

In 1869 vertrok ze met 70 kamelen en een 50-koppig team uit Tripoli. Ze had haar halfbroer op de valreep geschreven dat ze niet oud wilde worden en het op de koop toe nam als ze op deze reis doodgestoken of anderszins vermoord zou worden. In Tripoli, waar alle voorbereidingen werden getroffen, heette Alexine ‘de koningsdochter’, naar geruchten over haar rijkdom. Later, tijdens een opstand in haar kamp, uitgelokt door een stel kamelendrijvers, werd ze door een jonge Toeareg inderdaad neergestoken, maar de geldelijke buit waartoe de bende de doodbloedende Alexine zelfs de kleren van het lijf scheurde, viel flink tegen.

Koningin Sophie was met recht zeer bezorgd geweest toen de dames naar het Oosten trokken. Ze waren niet voorbereid op al die akelige kwalen – alsof ze zich onkwetsbaar waanden in hun meegesjouwde Haagse comfort. Beiden hadden ook op cruciale momenten Heuglins adviezen genegeerd, bijvoorbeeld over het uitdunnen van hun karavaan. En zo werd de wilskracht van de dames uiteindelijk hun vijand.

Toch, zo schrijft Willink, scheelde het niet veel of de Tinnes was dezelfde roem ten deel gevallen als Stanley en Livingstone. En ze waren wel degelijk de eerste Europese vrouwen die de Witte Nijl zo ver wisten op te varen en die Gondokoro bereikten. Dat een fors deel van Alexines etnografica uit het bezochte gebied bijna een eeuw later tijdens een Duits bombardement op Liverpool verloren ging, verbaast je niet meer na het lezen over zoveel hel en verdoemenis.