Modeshows

Bij modeshows heb ik eigenlijk niets te zoeken, ik ben geen vrouw, de mode volg ik amper en ik heb geen liggende gelden, want de aanschaf van zo’n creatie gaat lelijk in de papieren lopen, heb ik begrepen. En toch heb ik mij ooit twee keer onder het belangstellende publiek gemengd. De eerste keer was ik meegegaan met Jeanne Roos, die de modereportages voor Het Parool verzorgde, louter uit nieuwsgierigheid, om het ook eens meegemaakt te hebben, zoals ongelovigen er aardigheid in hebben om een katholieke mis bij te wonen. Het was in de jaren zestig, toen de moderedactrices schreven dat de mode „eindelijk weer eens vrouwelijk mocht zijn”, want dat wilden ze om de zoveel jaar nogal eens roepen. Onder de mannequins waren er twee tamelijk beroemd. Rita Loonen, die later Bonny Huf ging heten, en Loesje Blokker, die kort daarna onder de naam Loesje Hamel landelijke bekendheid kreeg, mede door haar optreden bij Chaffy Chantant.

De tweede modeshow was in de jaren negentig. Ik vergezelde een vriendin, die niet van zins was daar iets aan te schaffen, omdat ze daar geen geld voor had, maar die ging kijken wat ze zou kopen als ze er wel het geld voor zou hebben, wat neerkwam op een zelfopgelegde tantaluskwelling. Wat mij is bijgebleven, is het grote verschil tussen beide manifestaties. In de jaren zestig huppelden de mannequins met kleine, elegante pasjes over de catwalk, hun gezichtjes blij en verleidelijk lachend, met soms een ronduit olijke uitdrukking op het gezicht.

Hoe anders waren de modellen dertig jaar later. Die stampten met grote passen over de loper, als bootwerkers, de gezichten grimmig, bijna woedend, met een uitdrukking in de ogen die scheen te roepen: „Kom maar op, ik lust je rauw!”

Tegenwoordig is de mooiste mannequin een man, vernam ik uit goede bron.