Meisjesnaam

In het kader van de Gedichtendag 2012 hielden wij thuis bij stemmig kaarslicht een korte plechtigheid, waarin wij het gedicht Maiden Name uit 1955 van de Engelse dichter Philip Larkin hardop lazen en bespraken. Dat klinkt een beetje snobistisch, en dat is het ook, maar snobisme hoort bij zo’n dag; zonder snobisme krijgt de poëzie het nog veel moeilijker dan ze het al heeft.

Waarom dit gedicht? Mijn vrouw ‘herkende er veel in’, maar dat is niet de enige reden, stel je voor. Het is ook een mooi gedicht, zoals zoveel gedichten van Larkin. Hier volgt onder de titel Meisjesnaam de vertaling van Jan Eijkelboom. Het gedicht bestaat uit drie strofen van zeven regels, vanwege plaatsgebrek heb ik de regels achter elkaar gezet.

Je meisjesnaam raakte door ’t huwelijk in onbruik./ Die lichte klankenreeks betekent je gezicht niet/ meer, je stem, en alle variaties van je gratie;/ want sinds je dankbaar door de wet verruild/ werd voor een ander, kan je semantisch niet/ de schoonheid zijn die je daarmee verliet:/ voor haar werden die woorden toch gebruikt.

Nu is ’t een frase die op niemand slaat,/ die ligt waar je ’m liet liggen, verspreid langs/ oude lijsten, prijzen van school, een oud program,/ pakketjes brieven, met lint dichtgemaakt./ Is hij dan reukloos, zonder kracht, uitsluitend/ vals? Probeer het maar met langzaam fluisteren./ Nee, hij betekent jou. Of, nu je bent gegaan,

betekent hij wat wij thans vinden van jou toen:/ hoe mooi je was, zo heel dichtbij, en jong,/ zo levendig, dat je nog onder ons/ zou kunnen zijn, weer met een fris blazoen./ Je oude naam herbergt dus onze trouw,/ in plaats van dat hij vorm en aard verliezen zou,/ beladen met bagage die òns niet meer moet.

,,Waarom vind je dit zo goed?’’ vroeg ik mijn vrouw.

,,Omdat ik het precies zo ervaren heb’’, zei ze. ,,Ook ik heb bij ons huwelijk in 1969 mijn familienaam ingeruild voor de jouwe. Dat was toen nog heel gebruikelijk, je stond er nauwelijks bij stil. Pas later merkte ik dat ik daarmee mijn jeugd en mijn identiteit voor een deel kwijt was. En dat gevoel is in de loop van de jaren alleen maar sterker geworden.’’

,,En dat alles door een naam, een handvol letters?’’

,,Jazeker. Die naam was mijn jeugd, mijn hele verleden. Plotseling ging ik onder een naam leven die nooit bij mij had gehoord. We verhuisden en al die nieuwe kennissen wisten niet dat ik ooit anders had geheten, ze kenden me louter onder jouw naam. Mijn eigen naam werd, zoals Larkin zegt, ‘een frase die op niemand slaat’. Zo is het veel vrouwen van mijn generatie vergaan.’’

,,Is mijn naam nooit de jouwe geworden?’’ (Ik kijk nu nogal sip.)

,,Nee, nooit. Niet dat ik een hekel aan je naam kreeg, maar hij was niet van mij. En dat terwijl, nota bene, mijn naam een rotnaam is, een naam die moeilijk uitspreekbaar is, die in eerste instantie niet goed verstaan wordt en ik daarom altijd moet spellen. Op school werden er grapjes mee gemaakt, soms maakten de kinderen er een bijnaam van.’’

,,Je had dus ook blij kunnen zijn dat je er vanaf was.’’

,,Ja, maar hij hoort bij me. Ik ben het – en niemand anders. Ik gebruik hem daarom weer vaker en ik juich het toe dat jonge vrouwen, zoals onze dochters, onder hun eigen naam leven.’’

,,Mag ik u danken voor dit gesprek, mevrouw…het was toch met een ‘c’?

Ze knikt en roemt de slotregels van Larkin. ,,Omdat hij daar de oude naam in ere herstelt.”