Massale mensenhandel

Carla Boos e.a.: De slavernij. Mensenhandel van de koloniale tijd tot nu. Balans, 229 blz. €24,95

Slavernij-ontkenners zijn er naar mijn weten in Nederland niet. Slavernij-negeerders zijn er daarentegen te over. Waarom zouden slavernij en slavenhandel nu zo weinig bekijks krijgen? Rudy Kousbroek schreef eens dat Nederlandse historici de kwalijke kanten van het koloniale verleden verdonkeremaanden. Nu is dat evident niet waar, maar een cultuur van geëngageerde geschiedschrijving, zoals die in andere landen wel te zien is, is in Nederland zwak ontwikkeld. Gelukkig maar, hoor ik menig historicus al roepen. Meer in het algemeen heeft de Nederlandse samenleving een indrukwekkend vermogen om onprettige koloniale zaken te vermijden. Dat is wat anders dan een doofpot; het is een geperfectioneerde vorm van onverschilligheid. Op zich is het slavernijverleden niet omstreden; de discussie wordt vooral gevoerd over de wijze waarop Nederlanders met de verantwoordelijkheid voor dat verleden omgaan. Nederland heeft immers niet te klagen over de aandacht voor zijn slavernijverleden. Dat is wel iets van de laatste jaren. Er zijn uitstekende overzichtswerken over de Nederlandse slavenhandel, er is een Nationaal instituut Nederlands Slavernijverleden en erfenis, de slavernij maakt deel uit van de historische canon van Nederland, en onlangs was er een langdurige en kostbare documentaire reeks op de publieke televisie.

In het boek De slavernij, dat losjes is gebaseerd op deze documentaire, geven de schrijvers een prettig maar rommelig overzicht van de algemene feiten. Nederland was een natie van slavenhandelaren. Een kleine vijf procent van alle slavenhandel uit Afrika naar Amerika werd door Nederlanders gevoerd, zo’n 550.000 mensen. Dat deden ze meestal voor andere naties – de Nederlandse koloniën hebben maar twee procent van alle slaven gebruikt.

Hypocrisie

De Nederlandse kooplieden hebben dus massaal in mensen gehandeld en daar werd het grootste deel van de tijd niet moeilijk over gedaan. Zoals Carla Boos en de andere auteurs van De slavernij duidelijk maken, was de slavenhandel gebaseerd op een georganiseerde hypocrisie: zolang de slavenhandel niet op eigen bodem plaatshad, konden de Nederlanders de kwestie negeren.

Het is natuurlijk gemakkelijk om achteraf de slavernij af te keuren, maar ook naar de maatstaven van de eigen tijd waren slavenhandel en slavernij niet van smetten vrij. Nederland kende immers bij aanvang van de slavenhandel zelf geen slavernij. Vooral predikanten hebben zich over de kwestie gebogen of andere volken tot slaven gemaakt mochten worden – met zeer uiteenlopend resultaat.

Zo bepaalde de Zeeuwse dominee Godefridus Udemans (1581/1582-1649) dat christenen geen slaaf mochten worden, maar dat dit voor heidenen en moslims geen probleem was. Daartegenover stond de fatwa van zijn ambtsgenoot Bernardus Smytegelt (1665-1739), die de slavenhandel beschouwde als een ‘grove diverije’ en een inbreuk op het woord Gods.

De kracht van de praktijk vroeg om een legitimatie. Daar waren er verschillende van in omloop. De rechtsgeleerde Hugo de Groot (1583- 1645) schreef dat krijgsgevangenen wel als slaaf verkocht mochten worden. Anderen wezen op de ‘slaafachtige aard’ van Afrikaanse volken, en weer anderen omarmden het middeleeuwse verzinsel dat Afrikanen afstamden van de vervloekte kinderen van Cham, de zoon van Noach.

De tegenkrachten moeten in een minderheid zijn geweest, want tot een verbod door Staten- Generaal of synode is het nooit gekomen. De Zeeuwen en Hollanders konden dan ook rustig doorgaan met hun mensenhandel. Niet alleen omdat de andere naties het ook deden, omdat er arbeid nodig was op de plantages of omdat er geld mee verdiend kon worden, maar ook omdat het werd gedoogd.

Het probleem van De slavernij is dat het niet werkelijk diep wil graven en vol slordigheden zit. Zo vinden de Nederlandse veroveringen in Brazilië eerst in 1630 en even later in 1624 plaats, is Brazilië Nederlands eerste kolonie (maar dat was Ambon), voert Johan Maurits van Nassau er ‘een vorm van democratie’ in, en spreekt Noach in dit boek een vloek over Cham uit (wat volgens de Bijbel Chams zoon Kanaän moet zijn). Enzovoorts. Je kunt dergelijke kritiek als overbodige betweterigheid terzijde schuiven, maar waar blijven we als we, ook in onze publieke geschiedcultuur, de zin voor precisie verliezen?

Niet alles is overigens bar en boos aan dit boek. Aardig is het tv-achtige karakter, met reisimpressies, een reeks portretten van mensen die hun sporen in de slavernijgeschiedenis hebben achtergelaten, en interviews met hedendaagse deskundigen en afstammelingen van slaven. Die reportages zijn de origineelste stukken van het boek. Zo ontmoeten we dokter Rakieb Khudabux, die als patholoog in Paramaribo 38 overschotten beheerde van slaven die uit de grond van plantage Waterloo waren gekomen en in het medisch instituut in bananendozen worden bewaard. De botten en schedels, soms met een afgesleten tand van het pijproken, brengen ons dichter bij de slaven dan enig document.

De samenstellers brengen uit hun tv-achtergrond een goed gevoel voor anekdotiek mee, over Zeeuwse dominees, slavenhalers, over witte administrateurs, en één gekleurde, en godvruchtige slavernijbestrijders in de Nederlandse burgerij. Een probleem is dan weer wel dat de meeste historische figuranten de slavenhalers, plantagehouders en voor- en tegenstanders van slavenhandel zijn, blanke Nederlanders dus.

Het blijft moeilijk het leven van een slaaf voor te stellen. Zelfs in het hoofdstuk over het leven op de plantage domineren de planters, opzichters, gouverneurs, zendelingen en schrijvers. Met enige moeite had de stem van de slaven best luider en vooral meer kunnen klinken. Gerechtelijke archieven, mondelinge overleveringen en de aantekeningen van de Hernhutter zendelingen zijn door historici met succes gebruikt om meer over de leefwereld van de slaven te weten te komen.

Standaardverhalen

Maar wie niet zoekt, blijft steken in de standaardverhalen en vooral in de blik van buitenstaanders. Dat was niet nodig geweest. Er is veel onderzoek gedaan naar het leven op de plantages, naar het verschil tussen suiker- en koffiebouw voor de slaven, naar de geweldpleging, het geloofsleven en de cultuur, maar een dergelijke sociale geschiedenis paste kennelijk niet in het dominante tv-perspectief waarin vooral individuele personen aan het woord komen, omdat die ‘herkenbaarder’ zijn.

Op de documentaire is veel kritiek geuit omdat hij de Nederlandse slavenhandel te empathisch zou hebben voorgesteld. In het boek is daar niet veel van te merken. Wel schrijft Boos in de inleiding dat slavernij ‘niet puur zwart- wit’ is, maar ‘complex en veelkantig’. Dat haalt je de koekoek. Het spreekt vanzelf dat de ervaringen van slaven nogal verschilden, hoewel we daar weinig concreets over vernemen. ‘Niets is eenduidig’, schrijft ze ook. Zou het? Typisch en nogal eenduidig aan de Atlantische slavenhandel, in tegenstelling tot bijvoorbeeld slavernij in Azië of in Afrika zelf, was de massaliteit, de logistiek en de systematiek waarmee 12,5 miljoen Afrikanen over de oceaan zijn verscheept.

Ondertussen verdoezelt Boos geen enkele misdaad. Het hele spectrum van ellende komt langs, van slavenroof en uitbuiting tot verwaarlozing en mishandeling. Voor sommigen moet dat een geruststelling zijn.

Een bittere, dat wel.