Ik word echt witheet als het nodig is

Met alles wat zij ziet, hoort en meemaakt, wil Lea Bouwmeester die enorme tanker die Nederland heet, een heel klein beetje laten bijdraaien.

Redacteur Justitie

Het moet eerlijker. De slogan van de PvdA klinkt als een cliché, maar als Lea Bouwmeester de woorden uitspreekt, gebeurt er iets met ze. Dan klinken ze geloofwaardig en logisch. Misschien komt dat door wat Bouwmeester er allemaal bij vertelt. Namelijk dat ze maar al te goed beseft hoe gelukkig ze zelf is. „Leuke vrienden, fijne familie, fantastische baan, met vakantie wanneer ik wil. Ik heb gewoon geluk in het leven. En dan voel ik zó de plicht om een stapje harder te lopen voor mensen die dat niet hebben.”

Lea Bouwmeester (32) is Tweede Kamerlid voor de Partij van de Arbeid, alweer ruim vijf jaar, met in haar portefeuille onder meer patiëntenrecht en consumentenzaken. Ze komt op voor ‘de underdog’ van de samenleving: voor mensen die verslaafd zijn aan drank, gokken of drugs. Voor gedetineerden, ex-gedetineerden, daklozen, psychiatrische patiënten, kinderen die met jeugdzorg te maken hebben. Woensdag debatteerde ze met staatssecretaris Teeven, van Veiligheid en Justitie, over de behandeling van psychiatrische patiënten die in detentie vastzitten.

„Het feit dat mensen – terecht – opgesloten zitten, wil niet zeggen dat mensen rechteloos platgespoten mogen worden in een cel”, stelt zij dan. En als één van haar collega-Kamerleden, Tofik Dibi van GroenLinks, zich minder goed voorbereid lijkt te hebben, wordt haar toon een beetje nijdig. „Misschien is het een idee als de heer Dibi de praktijk wat serieuzer neemt.”

Je hebt heftige, zware onderwerpen in je portefeuille. Waarom?

„Het lijntje tussen een goed en een slecht leven is maar heel erg dun. Als ík dan kan zorgen dat die mensen aan de goede kant van de lijn blijven, dan wil ik dat ook doen. Het besef dat je één van de weinige mensen bent die in dit land nog achter die mensen staan, dat inspireert me. Mensen die hulp nodig hebben, zijn vaak niet zo mondig en hebben ook de sympathie van hun omgeving niet meer mee. Dan moeten zij nog steeds iemand hebben die achter ze staat. Dat zijn dingen waar ik blij van word, dat ik dat kan zijn. En dat die mensen dan later op je afkomen omdat het beter met ze gaat, dat ze er bovenop zijn gekomen.”

Wanneer had je dat voor het laatst?

„Dit weekend nog, op het PvdA-congres. Ik had jaren geleden voor iemand gebeld naar een GGZ-instelling. Die persoon kwam nu naar me toe om te vertellen dat het beter ging.”

Ja, dan heb je één iemand geholpen ...

„Nou ja, ik bel dan vooral om te achterhalen waar het precies fout gaat in het systeem. Ik kan niet voor iedereen gaan bellen, dat zou mijn werk wel erg ingewikkeld maken. Ik ben geen individuele belangenbehartiger, maar wil al die verhalen wel verzamelen om dan te kunnen zeggen: kíjk, dit is de zoveelste keer. Zó vaak gaat het dus mis. En dan ga ik los. Dat is mijn strijd: de kleine burger tegen de grote overheid, of tegen de grote instelling. Ik denk vanuit de mens naar boven, van micro naar macro. En ik kan niet tegen onrecht, dat heb ik nooit gekund.”

Wat gebeurt er als je iets niet rechtvaardig vindt?

„Dan komt er een soort energie los in mij. Zoals vorig jaar – de minister wil bezuinigen op de geestelijke gezondheidszorg. Dan laat ze uitgerekend de mensen die al geen geld hebben, van een uitkering leven, geen werk of dagbesteding hebben, 600 euro betalen. Dan word ik witheet, en in dit geval ook emotioneel. Dat geld vált niet te innen van iemand die onder een brug ligt! Ik was daar echt verdrietig over. Ik ben niet emotioneel ofzo, vind ook altijd dat vrouwen in de politiek niet moeten huilen. Níét doen! Maar dan overkomt het je. En komt ook nog een VVD’er naar je toe die zegt: ah joh, zo erg is het allemaal niet. Dan denk ik, lul, weet je wel wat dit betékent? Rijd jij maar lekker door, met je dikke auto. Toen gebeurde er iets moois. Hans Spekman (de nieuwe voorzitter van de PvdA, red.) kwam naar me toe en zei: Lea, je moet nu dus doorgaan. Mensen verzamelen, actie op touw zetten, niet opgeven. Ja, dacht ik toen: we beginnen pas. Ik ben wel strijdvaardig, geef niet snel op. Dat vind ik ook het magische van Kamerlid zijn: je kunt Nederland echt veranderen.”

Dat klinkt veelbelovend.

„Ik snap ook wel dat één motietje van mij de wereld niet meteen verandert. Maar met alles wat ik zie, hoor en meemaak, kan ik wel die enorme tanker een heel klein beetje laten bijdraaien.”

Waar komt die gedrevenheid vandaan?

„Ik heb al jong gezien dat kansen niet eerlijk zijn verdeeld. Ik heb het onrecht van dichtbij meegemaakt. Mijn vader was wijkagent, dus de arme mensen kwamen vaak bij ons langs. Hij vertelde ook over de problemen die mensen hadden. Soms vertelde hij dat de sociale dienst moeilijk deed, dat iemand geen eten had – dan kocht hij een brood. Zelf heb ik zoiets ook weleens gedaan, in de tijd dat ik sociale raadsvrouw was, in Amsterdam. Sprak ik in mijn lunchpauze af bij Albert Heijn om boodschappen te doen voor een vrouw die in de ellende zat. Dat mag helemaal niet, maar ik dacht: hallo, ze is een moeder van twee kinderen, kan geen kant op, niemand werkt mee, ik doe het gewoon stiekem.”

Het geeft je een kick ...

„Ik word wel blij als ik anderen kan helpen. Weet je wat het is, we worden echt allemaal een stukje gelukkiger als iedereen het goed heeft.”

Dus dat soort dingen doe je ook privé?

Ze lacht even. Maar ja, het is eigenlijk wel waar. Ze vertelt dat ze een keer geld op de rekening van een vriendin heeft gestort, zodat daar tijdens de vakantie onderling geen gedoe over zou komen. „Die vakantie was gewoon echt leuker als zij mee zou gaan. Mijn familie is ook zo. Als je mijn tweelingbroer op straat zou tegenkomen en je zegt, ik ken Lea, en ik heb zo’n honger? Dan geeft hij je zijn laatste geld. Niet dat dat nou per se goed is, maar zo zijn we wel opgevoed. Ook in mijn vriendengroep delen we dezelfde mentaliteit. Als we met zijn allen uit eten gaan, en één iemand zit even moeilijk: dan splitten we de rekening van elf man toch gewoon een keertje door tien. Dat is de mores van de mensen om mij heen. Terwijl er ook echt rechtse lui tussen mijn vrienden zitten, hoor. Dan gaat de grap rond: jongens, oppassen, Robin Hood is weer in het gezelschap.”