Home of the klompendance

Mariët Meester: De mythische oom. Nederlandse immigranten in Amerika: een bloedband. De Arbeiderspers, 284 blz. € 19,95

Nederland is veel groter dan we denken. Als we Mariët Meester mogen geloven, dan zijn er alleen al in Amerika zo’n 5 miljoen ‘Dutch Americans’. In De mythische oom, een levendige mix van verhaal en feit, vertelt zij over de Amerikaanse tak van haar familie van vaderskant. In de jaren vijftig vertrok oom Peter met zijn schoonfamilie voorgoed uit Groningen – ver weg van de gevreesde Russen, ver weg ook van de te vrijzinnig geachte Nederlandse christenen.

Meester gaf in eerdere boeken blijk van haar betrokkenheid bij de Roma in Roemenië en bij de Touaregs in Mali. Nu begeeft zij zich, als een soort antropoloog, tussen de van oorsprong Nederlandse calvinisten in Amerika. Zij strijkt neer in het stadje Lynden, Washington, vlakbij de Canadese grens. Het is een Nederlandse enclave, waar men aan ‘klompendance’ doet, tulpen kweekt en Hollandse pot op tafel brengt. Menigeen spreekt Nederlands of heeft een Nederlandse achternaam.

Hoofdpersoon is oom Peter, die op zijn oude dag nog altijd worstelt met het geloof, omdat niet iedereen in zijn omgeving er precies zo over denkt als hij. Hij rekent zich tot de ‘vrijgemaakte’ gereformeerden, ook wel ‘artikel 31-ers’ genoemd, die vasthouden aan het idee van de erfzonde. Een mens is overgeleverd aan de goddelijke genade en moet maar zien hoe zijn kansen liggen bij de wedergeboorte. Zo legt Meester het ongeveer uit.

Deemoed

De oom die uit dit boek oprijst is intussen helemaal geen toonbeeld van angst en deemoed, maar een man van de daad, een doorzetter, een eigengereide denker ‘met de kop schaif’, die zichzelf opwerkte van vechtersbaas tot toonaangevende wetenschapper, van automonteur tot alom gerespecteerd arts. Ook tante Marie wordt gekarakteriseerd als een gelovige, maar vooral pittige vrouw, die blaakt van levenslust.

Die dubbelslag zit door het hele boek heen verwerkt, zodat we nu eens geen sombere geschiedenis krijgen voorgeschoteld over sneue zwartekousenkerkers die zuchten onder het juk van hel en verdoemenis. Meester laat zien dat het, bij alle troebelen die de vele afsplitsingen binnen de gereformeerde kerk met zich meebrengen, prettig is om ergens bij te horen. Zij verbaast zich erover hoe snel zij, via de kerkdiensten die zij in en om Lynden bezoekt, opgenomen wordt in de gemeenschap. ‘Thuis’, in Amsterdam, heeft ze alleen vrienden, niet een vanzelfsprekende kring van familie en bekenden die zich in dienst stellen van iets hogers, of algemeners. Ze heeft groeiende bedenkingen tegen de inteeltsfeer, het beperkte blikveld van veel gelovigen, het gekissebis over doop, goddelijke genade en wedergeboorte – maar ze waardeert toch ook de gezelligheid en de andere voordelen van het leven in een collectief met gedeelde regels en rituelen. Tegen het eind van het boek wil ze geen antwoord geven op de vraag van haar oom of ze nu, na het bijwonen van zoveel kerkdiensten, gelooft dat Jezus ook voor haar gestorven is. Ze wil alleen kwijt dat haar leven ‘rijker’, ‘veelkantiger’ en ‘bezielder’ is geworden door het verblijf in Lynden.

Grafsteen

Meester heeft haar lezers veel te bieden. Een opgewekt verslag van een veelbewogen familiebezoek. Een interessant verhaal over het ontstaan en de ontwikkeling van het eigenaardige stadje Lynden. Een bonte vracht aan anekdotes, onder andere over het vervoeren van de kist met een overleden oma van Oost- naar West-Amerika in een aanhangwagen, compleet met grafsteen. Een helder overzicht van het protestantisme, van Maarten Luther tot heden, met alle vertakkingen en scheuringen vandien. Een ontroerend slot waarin de oom ineens toch nog het zwarte schaap van de familie, de zieke, drugsverslaafde vriend van zijn oudste dochter, in zijn armen sluit. ‘Call me dad.’

En dan is er nog de stamceltransplantatie, met veel vuur en enthousiasme uit de doeken gedaan, waardoor de ten dode opgeschreven oom kon genezen van leukemie, en op zijn 77ste weer fris en vrolijk een partijtje kan tennissen. Oom Peter denkt dat hij van God nog wat langer mocht leven. Zijn nicht spreekt dat niet tegen. Maar zij legt, bij haar gedetailleerde beschrijving van de riskante procedure, toch vooral de nadruk op de aardse factoren: het goed geoutilleerde ziekenhuis, de slimme artsen en vooral de oudste broer uit Nederland, met precies het juiste bloedtype, die zijn vliegangst overwon om met de patiënt zijn gezonde bloedcellen te kunnen delen.

Ze zegt het niet met zoveel woorden, maar uit alles blijkt dat het Meester geweldig aanspreekt dat uitgerekend haar vader, een van die veel te frivole Nederlandse gereformeerden, heeft kunnen bijdragen aan een heuse wedergeboorte.