Egypte speelt hoog spel in controverse met Amerika

Het oude partnerschap tussen de VS en Egypte staat onder druk. Een uitreisverbod voor zes Amerikanen die voor ngo’s in Kairo werken heeft de zaak op scherp gezet.

Zes Amerikanen die verbonden zijn aan organisaties die ijveren voor democratie, hebben van Egypte het verbod gekregen om het land te verlaten. De zaak heeft al langer bestaande spanningen met Washington aangescherpt.

De zes Amerikanen en vier Europeanen werken in Kairo voor drie Amerikaanse ngo’s: het International Republican Institute (IRI), het National Democratic Institute (NDI) en de organisatie Freedom House. Een van hen is Sam LaHood, de zoon van de Amerikaanse minister van Transport, Ray LaHood. LaHood en zijn vrouw werden zaterdag tegengehouden toen ze Kairo per vliegtuig wilden verlaten.

De Republikeinse senator John McCain, die het IRI voorzit, waarschuwde gisteren dat de „crisis [..] het oude partnerschap tussen de Verenigde Staten en Egypte in gevaar brengt”.

Het reisverbod heeft te maken met een Egyptisch onderzoek naar illegale buitenlandse financiering van ngo’s. In december viel de politie binnen bij zeventien ngo’s, waaronder ook IRI, NDI en Freedom House.

Minister van Justitie Mohamed al-Guindi zei toen dat de ngo’s ervan verdacht worden „Egypte te willen verraden door opzettelijk politieke onrust te veroorzaken”.

Het IRI en de NDI zijn organisaties die aanleunen bij respectievelijk de Republikeinse en de Democratische partij in de VS. Hun doel is het bevorderen van de democratie.

In ex-Joegoslavië hebben beide organisaties een actieve rol gespeeld in het organiseren van het protest tegen president Slobodan Milosevic. Drie personeelsleden van het NDI in Kairo zijn Serviërs.

Volgens de Belg Koert Debeuf, die in Egypte de liberale fractie van het Europees parlement vertegenwoordigt, past het optreden tegen de ngo’s in „de samenzweringstheorie dat achter alles wat hier gebeurt het Westen schuilt”.

Wanneer straatprotest tegen het militair bewind op geweld uitloopt, legt de legerleiding graag de schuld bij buitenlandse ‘onzichtbare handen’ die Egypte willen destabiliseren. „Het effect daarvan zie je onmiddellijk op straat, waar mensen je plotseling gaan vragen wie je bent en wat je hier doet. De rol van het Westen wordt hier geweldig overschat. De waarheid is dat wij bij de gebeurtenissen in Egypte en Tunesië geen enkele rol van betekenis hebben gespeeld. We hebben juist allemaal de boot gemist.”

Debeuf vermoedt dat de ngo-affaire voor een deel „politiek theater” is. „Mubarak werd heel duidelijk gestuurd door de VS. Nu wordt alles wat ruikt naar westerse beïnvloeding heel argwanend bekeken door de Egyptenaren. Misschien doet men dit om naar de eigen publieke opinie te kunnen zeggen: ‘Kijk eens hoe wij durven ingaan tegen de Amerikanen’. Dat wil niet zeggen dat er achter gesloten deuren niet gewoon verder wordt gepraat.”

Toch speelt Egypte hoog spel. Het leger krijgt elk jaar 1,3 miljard dollar (1 miljard euro) van de VS. Het Amerikaanse Congres heeft vorig jaar een wet goedgekeurd die verdere hulp verbindt aan vooruitgang op het vlak van democratisering. Het Witte Huis heeft zich daar lang tegen verzet vanuit de overtuiging dat men de landen van de Arabische Lente nu vooral moest helpen.

Maar de laatste tijd dringt ook de regering-Obama er meer op aan dat het leger zo snel mogelijk de macht afstaat aan een burgerregering. Het leger wil dat pas doen na afloop van de presidentsverkiezingen, die volgens plan al in juni plaatsvinden.

Vorige week vrijdag heeft president Obama er legerleider Tantawi in een telefoongesprek nog aan herinnerd dat het optreden tegen de ngo’s verdere Amerikaanse steun voor het Egyptische leger in gevaar brengt.