Dood op de bank

Z ondagnamiddag trekt koning Albert zijn kaplaarzen aan en klieft met nog vijftigduizend WK-gekken het zand van Koksijde naar zijn kuipstoeltje bij het podium. In de vanzelfsprekende verwachting dat een Belg wereldkampioen veldrijden wordt.

Albert staat niet bekend als fervent sportliefhebber. Eerder blijmoedige jeneverkoning, het wandelen verleerd zelfs. Daarnaast heeft hij met het eindeloze formatiegekonkel een zwaar jaar gehad. Om dan nog op een zondag protocollair aanwezig te willen zijn op een cross is bijna onmenselijk. Maar het staatshoofd kent zijn pappenheimers: veldrijden is gansch het volk.

Vlamingen dan.

De gekte die in Thialf over schaatsers neerdaalt, vinden veldrijders wekelijks terug in Vlaamse gehuchten die, half gesubsidieerd, een enigszins hobbelig crossparcours hebben aangelegd. Entreekaartjes lopen in de tienduizend. De televisie voltooit de hysterie met soms wel een miljoen kijkers.

De liefde voor zand-, sneeuw- of slijkduivels is onbegrensd.

Meer dan in het wielrennen op de weg is veldrijden een sport voor heldengedichten. De renner geknecht door de elementen. Dat waaghalzerige ploeteren over drassige weiden, boomstronken en versteende ijspegels, ook nog met verraderlijke chicanes. Fietsen, lopen, springen, vallen en opstaan, en na de koers wacht alleen een warm washandje. Geen jacuzzi.

Die eenvoud.

Maar reken maar dat het een helse discipline is. Veldrijders fietsen een uur lang „in het rood”. De een op kracht, de ander op souplesse, maar ze lijden dezelfde pijn. Alles kraakt en piept als ze over de meet komen. De organen gehusseld als bonen in de koffiemolen. Ook nog onderkoeld.

Nederland mag rekenen op twee regenboogtruien: Marianne Vos bij de vrouwen en Mathieu van der Poel bij de junioren. De zoon van Adrie reed de voorbije maanden 24 crossen en won er 21. De wedstrijd in Koksijde is zijn eerste deelname aan een WK. Een supertalent. Dat is Marianne Vos in het kwadraat. Waar zij verschijnt, valt de concurrentie stil. Terecht wordt er stiekem aan gedacht Marianne met de mannen te laten meefietsen.

Einde verhaal voor Sven Nys, Niels Albert en Zdenek Stybar.

Nederland had een traditie hoog te houden in het veldrijden. Dat weet Nederland niet meer. Rein en Richard Groenendaal, Adrie van der Poel, de onvergetelijke stilist Hennie Stamsnijder: jarenlang waren zij de top van de cross. Wereldkampioen, zelfs. En dan was er nog Lars Boom die de geroutineerde Belgen met gemak overklaste, maar in een zinsverbijstering voor de weg koos. Gegrepen door de illusie dat hij best Parijs-Roubaix kan winnen.

Zondag gaat het tussen Sven Nys, Kevin Pauwels, Niels Albert en Zdenek Stybar. Drie Belgen en een Tsjech. Tweevoudig wereldkampioen Bart Wellens, die begin deze maand vanwege hartfalen werd opgenomen op de intensive care, is afgevallen. Wellens moest vervolgens ook nog een huiszoeking doorstaan voor dopingonderzoek. De Riccardo Riccó van het veldrijden? Zo ver is het nog niet, maar de Nederlandse sportarts Berend Nikkels riep jaren geleden al dat „FC Vlaanderen van het veldrijden aan de dope zat”.

Wat is wijsheid in een vreemd lichaam?

De WK in Koksijde zullen eindigen in een Vlaamse kermis: leeuwenvlaggen, bier en patat. Vroeger had je nog Stamsnijder, Renato Longo, Rolf Wolfshohl, een paar Zwitsers voor enige internationale signatuur, maar de cross heeft zich teruggetrokken in Vlaamse dorpen en gehuchten. Ergo: in boerenleut van huifkarren.

De regionalitis doet het veldrijden geen recht. Het is zelfs een schande dat Jacques Rogge het vertikt deze moordende discipline een olympisch statuut te geven.

Zie ze zondag toch klauwen door het zand – thuis op de bank val je al dood.