Dode voorvaders uit Afrika

Een vriend heeft een cadeau voor me. „Het komt uit Ethiopië”, zegt hij, en hij overhandigt me iets wat in krantenpapier is gewikkeld. Het volgende moment heb ik een ruw, houten masker in mijn handen, getooid met plukken hooi. De ogen zijn slechts spleten en de mond staat wijd open in een geluidloze gil. Het geheel ziet eruit alsof de maker gestalte heeft willen geven aan de beleving Mijn dag in de hel.

„Ah”, zeg ik (terwijl ik me afvraag of ik ooit iets heb laten vallen in de trant van ‘weet je nog toen ik laatst zei dat mijn woonkeuken nog wat miste? Ik zat te denken: zo’n luguber Afrikaans masker zou de boel echt een stuk minder Kitsch Kitchen maken.’)

De vriend wijst trots op de paar lange, gele tanden die scheef in de houten mond staan. „Kijk. Echte geitentanden. Je kunt de nerven zien.” „Ja”, zeg ik, omdat ik niet zo goed weet hoe je de aanwezigheid van echte geitentanden in je huis moet vieren. „Kom op, dat is toch interessant”, roept de vriend. „Zo’n masker. De verkoper vertelde me dat het iets met de doden te maken heeft. Nou, waar zullen we het ophangen? Hier, naast die konijnenbakvorm?”

En nu hangt er dus een Ethiopisch ‘iets met de doden’-masker aan mijn muur. Ik heb geprobeerd hem te accepteren, echt. Ik heb hem zelfs een gezellige, vertrouwenwekkende naam gegeven in een poging hem te ontmantelen: Evert.

Het heeft niet geholpen.

Nu ben ik uiteraard een nuchter en evenwichtig persoon, die absoluut niet gelooft in het bestaan van spoken, geesten of vampiers. Toch blijkt vaak dat mijn ongeloof ook weer niet zó sterk is dat het me ervan kan weerhouden mezelf helemaal gek te maken.

Zodra ik ’s avonds aan het douchen ben en tegen een dicht douchegordijn aankijk, bedenk ik: ‘Stel je nou voor dat ik dit opentrek en er opeens een zwijgend, bleek meisje met lang, zwart haar staat. Dat zou niet echt leuk zijn.’ Je hoeft zoiets maar één keer gedacht te hebben, en de onrust sijpelt binnen. Je denkt: ‘Haha, wat een onzin’, en meteen daarop volgt de gedachte: ‘O ja, is het zo’n onzin? Trek dan eens het douchegordijn open.’ Waarna je toch het douchegordijn opent, snel, achteloos – maar door het te openen, heb je toegegeven aan die zelf gecreëerde spanning. Wat begint als een luchtige constatering: ‘goh, als ik nu in de spiegel een geest achter me zou zien, zou dat best vervelend zijn’, ‘hm, als je bang bent aangelegd, is het vast heel eng in deze donkere gang’, ‘als ik nu ontvoerd word door aliens, zouden de buren me dan horen?’, eindigt vervolgens altijd in onbehaaglijkheid.

En zo kon ik ook niet aan Evert wennen: steeds als ik hem zag, dacht ik, ondanks mezelf: „Dode Afrikaanse voorvaders die je huis bezoeken, niet echt een pretje.” Waardoor ze eigenlijk elke avond aan mijn keukentafel zaten te klaverjassen.

Evert is verhuisd – iemand anders mag zijn koelbloedigheid op hem testen.

Lees eerdere columns van Renske de Greef via nrcnext.nl/renske