De prachtwijkpioniers

De geschiedenis van de Nederlandse stedenbouw is ook de geschiedenis van Nederland, zo toont een monumentaal boek aan. Maar liepen onze stedenbouwers echt zo voor de troepen uit als altijd wordt gedacht?

Cor Wagenaar: Town Planning in the Netherlands since 1800. Uitg. 010, 639 blz. € 49,50

Weer is Hendrik Petrus Berlage de klos. Ontmaskerde de historicus Auke van der Woud in Sterrenstof de architect Berlage (1856- 1934) een paar jaar geleden als de onechte, want reactionaire vader van het Nederlandse modernisme, nu krijgt de stedenbouwer Berlage verrassend weinig aandacht in Town Planning in the Netherlands since 1800. Het door Berlage ontworpen Amsterdam-Zuid, wereldberoemd in Nederland, en zijn al dan niet uitgevoerde plannen voor Groningen, Den Haag en andere steden krijgen niet meer dan een paar bladzijden in de monumentale geschiedenis die Cor Wagenaar schreef over de Nederlandse stedenbouw van de Franse tijd tot nu.

Ook van Berlage als theoreticus heeft de architectuurhistoricus Wagenaar (1960) geen hoge pet op. Berlages opvatting dat een nieuwe bouwstijl pas gestalte kan krijgen als de maatschappij fundamenteel is veranderd, was bijvoorbeeld gemeengoed onder de architecten van zijn generatie. ‘Hij kan nauwelijks worden gezien als een hoogst oorspronkelijk denker’, aldus Wagenaar die Town Planning direct in het Engels schreef. ‘Zijn grootste belang voor de Nederlandse architectuur en stedenbouw ligt eerder in de invoering en bewerking van noties uit het buitenland.’

Dat buitenland was vooral Duitsland, dat iets eerder dan Nederland kreeg te maken met de gevolgen van industrialisatie. Duitsland is de bakermat van de stedenbouw, een vak dat voor 1800 wel bestond maar geen opleidingen en handboeken had. De eerste gedegen stedenbouwboeken werden geschreven door Duitse ingenieurs die in de tweede helft van de 19de eeuw werden geconfronteerd met de razendsnelle en chaotische groei van Duitse steden. Voor hen was stedenbouw vooral een kwestie van ordening, techniek en hygiëne, zo laat Wagenaar zien. Later volgde Camillo Sitte, de Oostenrijkse kunsthistoricus die in zijn Der Städtebau nach seinen künstlerischen Grundsätzen uit 1889 de stad als kunstwerk beschouwde en die grote invloed had op Berlage.

Niet alleen de stiefmoederlijke behandeling van Berlage, maar ook de lange algemeen historische beschouwingen maken Town Planning tot een ongewoon en vooral ook rijk boek over stedenbouw. Vanuit de opvatting dat in (stedelijke) ruimte ‘de tijd kan worden gelezen’ – een gedachte die Wagenaar heeft ontleend aan het werk van de Duitse ‘stedenlezer’ Karl Schlögel – legt hij steeds verbanden tussen maatschappelijke ontwikkelingen en de stedenbouw. Soms lijkt Town Planning zelfs op een algemene geschiedenis. Uitgebreid laat Wagenaar bijvoorbeeld zien dat de liberale politicus Thorbecke niet alleen de geestelijke vader van de Grondwet van 1848 was, maar ook de drijvende kracht achter de modernisering van Nederland. Thorbecke zette zich persoonlijk in voor de aanleg van kanalen en (spoor)wegen en zorgde zo voor de infrastructuur die nodig was voor de industrialisering van Nederland.

Ook haalt Wagenaar regelmatig het werk aan van schrijvers als Albert Camus, Claudio Magris, F. Bordewijk, W. F. Hermans en de onvermijdelijke Robert Musil wiens Mann ohne Eigenschaften als de belichaming van de 20ste- eeuwse massamens herhaaldelijk opduikt. Maar hij gebruikt ook veel onbekende bronnen. Zo begint hij het zesde van de zeven delen van zijn boek, ‘Modernism Re-invented 1968- 1989’, met een artikel van twee journalisten uit de communistische DDR die Nederland in 1970 bezochten. Ze keken hun ogen uit. Langs de weg van Amsterdam naar Haarlem zagen ze overal ‘slaapmachines’ in aanbouw en ze verbaasden zich over de vele campings die ze ‘recreatiemachines’ noemden. Over Rotterdam, ‘een spiksplinternieuwe stad die volgens de nieuwste stedenbouwkundige opvattingen is gebouwd’ raakten ze zelfs opgewonden. Maar uiteindelijk was hun oordeel over Nederland negatief. Rotterdam bleek ’s avonds te lijden aan de ‘Amerikaanse ziekte’, waarmee ze bedoelden dat het stadscentrum dan leeg is, en Nederland vonden ze ‘een spiritueel lege consumptiemaatschappij.’

Zo kent Town Planning wel meer verrassingen. Wie bijvoorbeeld denkt dat ‘de westerse mens als nomade’ een modieus stedenbouwkundig idee uit de jaren negentig was, zal ontdekken dat dit idee uit de 19de eeuw stamt. Ook de hedendaagse zorgen over de verrommeling en fragmentatie van het Nederlandse landschap zijn al oud. De tweede (1966), derde (1974) én vierde (1988) Nota’s voor de Ruimtelijke Ordening hadden slechts één doel: beteugeling van een ongebreidelde suburbanisatie die heel Nederland zou bedekken.

Wat voor Berlage geldt, gaat op voor bijna alle Nederlandse stedenbouwers: ze keken vooral naar het buitenland, eerst Duitsland en later ook Engeland, waar omstreeks 1900 de eerste tuinsteden werden gebouwd. Na de Tweede Wereldoorlog werd vooral Amerika een bron van inspiratie. Onderdeel van de Marshall- hulp was een studiereis van architecten en stedenbouwers naar de Verenigde Staten. Hier zagen ze met eigen ogen welke immense gevolgen de verbreiding van het autobezit voor steden had. Terug in Nederland hielden ze er rekening mee dat hier auto’s steeds meer ruimte zouden vergen en de steden drastisch zouden veranderen.

Toch kreeg de Nederlandse stedenbouw uiteindelijk wel een eigen karakter. De door en door gerationaliseerde bouwmachine die de bouwindustrie en de rijksoverheid na de Tweede Wereldoorlog op poten zetten om de woningnood, ‘volksvijand nummer 1’, te bestrijden, is op zichzelf niet Nederlands. Maar de gigantische omvang ervan en de overheidssturing zijn wel uniek. Dit geldt ook voor het resultaat: Nederland heeft veel meer sociale huurwoningen dan de ons omringende landen.

Ook de ‘wijkgedachte’ uit de wederopbouwtijd is bijna exclusief Nederlands. Nieuwbouwwijken, zo vond bijvoorbeeld Lotte Stam- Beese, de ontwerpster van Pendrecht in Rotterdam, moesten woningen en voorzieningen omvatten voor zo’n 20.000 bewoners van divers pluimage, van gezinnen tot alleenstaande ouderen. Zo zou de grote stad bestaan uit overzichtelijke eenheden waar de bewoners zich niet verloren voelen. De bloemkoolwijken die van midden jaren zeventig tot diep in de jaren tachtig overal werden gebouwd, zijn zelfs onvervalst Nederlands; de rest van de wereld kent ze niet. Ze waren een reactie op de grootschalige buitenwijken. Met hun grillige straatjes en ‘woonerven’ omzoomd door huizen met allerlei uitbouwtjes, moesten de bloemkoolwijken voor Nederlandse gezelligheid zorgen.

Voor Wagenaar bij de Duitse stedenbouw van eind 19de eeuw belandt, heeft hij in een lange proloog de 17de-eeuwse uitbreidingen van de toen snel groeiende Nederlandse steden uit de doeken gedaan. Stedenbouwers keken toen niet naar het buitenland, integendeel: hun diensten waren een exportproduct. Maar na de Gouden Eeuw was het afgelopen met de groei van de steden. Pas ver in de 19de eeuw, toen de industriële revolutie ook Nederland bereikte, kwam de trek van het platteland naar de steden weer op gang en werden nieuwe stadsuitbreidingen noodzakelijk.

Hoe verscheiden de stadsontwerpen die sindsdien zijn gemaakt ook zijn, ze hebben volgens Wagenaar allemaal met elkaar gemeen dat de Verlichting er op een of andere manier een rol in speelt. De kritiek die Aldo van Eyck bijvoorbeeld al eind jaren vijftig had op de eenvormigheid van de nieuwbouwwijken stond in het teken van de Verlichting. Door de dorpen van de Dogons in Mali als model voor herbergzame woonwijken te geven, pleitte Van Eyck voor een terugkeer naar de door Rousseau bezongen natuurlijke staat van de mens. Maar het streven van de gekritiseerde modernisten om de ‘gewone man’ een goede woning in een groene buurt te geven was net zo goed een belichaming van ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’.

Door de Verlichting als rode draad te nemen, beklemtoont Wagenaar de continuïteit in de Nederlandse stedenbouw. Zelfs in het modernisme ziet hij geen breuk. ‘Licht, lucht en ruimte’ waren al leidende beginselen in de stedenbouw voor modernisten als Cornelis van Eesteren, de ontwerper van Amsterdams beroemde Algemeen Uitbreidingsplan uit 1934, ze toepasten. Dat mag zo zijn maar door zijn nadruk op de continuïteit heeft Wagenaar te weinig oog voor het revolutionaire karakter dat de modernistische stedenbouw toch echt had. Het verschil tussen een open en een gesloten bouwblok lijkt misschien klein, maar een stadswijk met strokenbouw heeft een wezenlijk ander karakter dan een met traditionele, gesloten bouwblokken. In plaats van besloten straten en pleinen, de grondstof van de traditionele stad, hebben modernistische wijken een volstrekt andere, eindeloze ruimte die tussen de strokenbouw door slingert.

Ook de duistere kanten van de Verlichting krijgen weinig aandacht in Town Planning. Aan de collectieve vooruitgangswaanzin waardoor stedenbouwers in de jaren zestig en zeventig waren bevangen en hun plannen om veel oude binnensteden plat te gooien en te vervangen door hoogbouw en snelwegen, wijdt Wagenaar slechts enkele bladzijden. Hoog Catharijne in Utrecht vindt hij zelfs een redelijk geslaagde rigoureuze vernieuwing van een oude stad.

Toch eindigt Town Planning met een breuk, een abrupte zelfs. In het laatste hoofdstuk stelt Wagenaar vast dat de Vinexwijken, het resultaat van de Vierde Nota voor de Ruimtelijke Ordening Extra uit 1992, de laatste grote stadsuitbreidingen in Nederland zijn. Mede door de crisis in de bouw is de Nederlandse bouwmachine, die meer dan een halve eeuw lang buitenwijken uit de grond stampte, vastgelopen.

Ook de centrale sturing van de ruimtelijke ordening behoort tot het verleden. Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening vormen geen eigen ministerie meer, maar zijn sinds anderhalf jaar opgeheven of ondergebracht bij Infrastructuur en Milieu. Ruimtelijke ordening is nu officieel een zaak van provincies en gemeenten. Enkele jaren geleden verscheen nog wel een Vijfde Nota voor de Ruimtelijke Ordening, maar die bevat nauwelijks aanwijzingen voor de inrichting van Nederland, constateert Wagenaar. Wel maakte die duidelijk dat het in de nabije toekomst zal gaan om het hergebruik van oude gebouwen en de herinrichting van bestaande stukken stad. Voor het eerst sinds 1850 ligt de toekomst van de Nederlandse stedenbouw niet buiten, maar binnen de steden.