De magie van de voordracht

Tijdens Gedichtendag droegen dichters voor uit eigen werk. Maar hoe klonk dat vroeger? Ron Rijghard luisterde oude geluidsopnamen die onverwacht opdoken.

Redacteur Kunst

Stroomstootjes. Kippenvel. Uit een krakerig en ver verleden knerpt de stem van Walt Whitman, die een deel van zijn gedicht ‘America’ voordraagt. Het fragment duurt 34 seconden. De opname van Whitman is van omstreeks 1888, en uitgevoerd door uitvinder Thomas Edison op een wasrol, een vinding die hij dat jaar had gedaan bij de verbetering van de fonograaf. Edison nam dat jaar ook de stemmen van twee andere dichters op, Lord Tennyson en Robert Browning. Wat in 1888 nagelnieuw was, klinkt nu bedompt. Alleen van de opname van Whitman wordt de authenticiteit betwijfeld, juist omdat hij relatief helder te horen is. De kwaliteit zou te goed zijn voor een wasrol. Maar van Edison was bekend dat hij de stem van Whitman wilde vastleggen en Whitman was ijdel genoeg om het te doen.

Wie dichters van vroeger en nu beluistert, weet hoeveel hun stem bijdraagt aan de poëzie. Intonatie, klemtonen en ritme brengen de gestolde klank tot leven. De poëzie heeft een directe uitwerking op de luisteraar. De stem vergroot de magie van het gedicht.

„Een dichter die zijn eigen werk voordraagt doet dat als geen ander het kan”, zegt Hans Keller gevraagd naar zijn obsessie met dichters die hun werk voordragen. Keller maakte documentaires over dichters en is de bedenker van de Dode Dichters Almanak, het VPRO-programma dat inmiddels elf seizoenen loopt. Ook de grootste particuliere verzamelaar van dichtersstemmen in Nederland, vertaler Theo Festen, noemt authenticiteit als zijn drijfveer. „Je voelt dat het gedicht van de dichter zelf is. Andere dichters kunnen dat niet benaderen.” Festen houdt van het voorlezen van Adriaan Roland Holst, die dat doet met een snik in zijn stem. „Hij kreeg een brok in zijn keel van zijn eigen werk. Ik vermoed dat hij dan op zo’n moment weer beleefde wat hij voelde bij het schrijven.”

In 1888 lijkt Robert Browning de magie van het moment al te beseffen als Edison zijn stem vastlegt. Hij is zo blij met het mirakel van de geluidsopname dat hij er aan het eind van zijn voordracht drie hoeraatjes uitgooit: „Hip hip hé!” Zo zou je ook wel willen dat je Gorter zijn ‘Mei’ hoort voordragen. Dat is een droom, want die opname bestaat niet, voor zover bekend. In Nederland kennen we al decennia een levendige podiumcultuur, maar er zijn geen volwaardige uitgaven van oudere dichters op cd. Van de meeste vooroorlogse dichters is weinig tot niets bewaard, wat kan liggen aan het feit dat dichters weinig in het openbaar voordroegen.

Dat ik Whitman en T.S. Eliot wel op mijn iPod heb, komt doordat in de Verenigde Staten de laatste tien jaar juist opnames van klassieke Amerikaanse dichters bijeen zijn gebracht op diverse cd’s bij overzichtswerken. Het mooist is Poetry Speaks, een kloek boek, voorzien van een vracht aan informatie en gedichten. Voorafgaand aan een voordracht van de grote William Butler Yeats, onder meer oprichter van het Ierse Nationaal Theater, verneem je bijvoorbeeld dat hij werd beschouwd als een pover voordrachtskunstenaar. Een toenmalige criticus merkte op dat Yeats een zeurende, monotone stijl had, die zich alleen bekommerde om het ritme van de maten in zijn dichtregels. Vervolgens hoor je Yeats zelf zijn stijl verdedigen: „Ik ga dit gedicht voordragen met veel nadruk op het ritme en dat kan vreemd aandoen voor wie dat niet gewend is. Maar het kostte me duivels veel moeite om van deze woorden poëzie te maken, dus ik ga ze niet voorlezen alsof het proza is!”

Als fenomeen kreeg het voordragen in Nederland pas vleugels door Simon Vinkenoog, die in 1965 een voordrachtsavond in Londen had meegemaakt en een jaar later Poëzie in Carré organiseerde. Johnny ‘The selfkicker’ van Doorn choqueerde het publiek met zijn extatische voordracht.

Poëzie in Carré inspireerde tot het opzetten van Poetry International in Rotterdam, en later volgde de Nacht van de Poëzie in Utrecht. Veel daarvan is vastgelegd en verkrijgbaar. In de jaren negentig kreeg het podiumdichten een impuls van een nieuwe generatie dichters, onder aanvoering van Ingmar Heytze. De huidige populariteit van live poëzie doet vermoeden dat het publiek dichters liever hoort dan leest. De stem is sterker dan het papier.

Voor het openbaar maken van dichtersstemmen is het pionierswerk van Hans Keller van onschatbaar belang. „De eerste sensatie had ik toen ik in 1996 T.S Eliot op de Britse televisie zag voordragen. Ik wist niet dat hij ooit gefilmd was. Hij zag eruit als een oudere beambte van een provinciale bank en zo klonk hij ook, maar het bracht allerlei ballen aan het rollen in mijn persoonlijke flipperkast.” Toen bedacht hij een tv-programma dat heel sec dichters toont die hun werk voordragen. Keller: „Ik had zelf ooit J.C. Bloem gefilmd, die bijna niet te verstaan was, en Simon Vestdijk, die zijn gedicht ‘Uiterste seconde’ voordroeg alsof hij het weer presenteerde. Maar hij had een prachtige stem.”

Een probleem, zegt Keller, is dat er in het omroeparchief veel bewaard is, maar lang niet alles. „Ik droom er weleens van dat er uit de erfenis van een particulier een opname tevoorschijn komt. Eigenlijk zou ik een advertentie moeten zetten met de vraag: heeft u een dode dichter in de familie? Of ik moet langs de deuren van de dichters gaan.” Waarop hij meteen vervolgt: „Terwijl ik het zeg, denk ik: ik moet het doen.”

Ramsey Nasr is overtuigd van het belang van gedichten horen voordragen. „Dat leerde ik door het maken van een clipje van mijn eigen gedicht ‘Mi have een droom’. Dat is geschreven in een door mijzelf verzonnen straattaal, die ik zelf nauwelijks snap, maar door de voordracht ontstaat een schijn van begrijpelijkheid. Scholieren die het clipje horen, vertellen me regelmatig dat het een opstapje naar het lezen van poëzie is, omdat ze zien dat zoiets ook poëzie kan zijn. Bij het lezen van veel oude of juist moderne poëzie ben je op jezelf teruggeworpen, en dat is voor veel mensen hét grote obstakel, zegt Nasr. De lezer zoekt hulp. „De dichter die zijn gedicht voorleest, interpreteert. Dat is ook de reden dat poëziefestivals zo ongelofelijk goed lopen, terwijl er bijna geen bundels worden verkocht.”

Maar hoe zit het nu met de vooroorlogse dichters? Hoe klonken zij? Van Achterberg bestaat een fragment met vier regels, van Kloos een flard tekst, maar geen gedicht; ook van Nijhoff niet. Leopold, Marsman, Boutens: geen idee hoe ze klinken.

Althans, dat denk ik totdat ik kennismaak met de verrassing die Theo Festen heeft. De inmiddels 75-jarige vertaler heeft namelijk een enorm archief. Het grote goud in zijn collectie wordt gevormd door twee opnames: Martinus Nijhoff die zijn cruciale gedicht ‘Het kind en ik’ voordraagt en P.N. van Eyck met zijn ‘De tuinman en de dood’.

Keller kent de opnames, zegt hij: „Lang geleden heb ik ze ergens in Hilversum gehoord, maar zonder beeld kon ik er niks mee.” Bij navraag bij het Letterkundig Museum en Beeld en Geluid komen de opnames niet boven.

Het merkwaardige is dat Festen zegt dat hij de voordrachten ergens deze eeuw heeft opgenomen van de Vlaamse radio. „Ik heb het Letterkundig Museum wel gemaild dat ik de opname in mijn bezit had, en ook bij de VPRO heb ik het gemeld, maar ik heb er niets meer van gehoord.” Het is een schande dat Nederland zo slecht omgaat dit materiaal, zegt Festen.

Woensdag kreeg ik van Festen een zelfgebrande cd met stemmen van vijftig oude dichters. Van Eyck slist licht en acteert mee, met de theatrale scènes in zijn gedicht. „Daar stond de dood!” zegt hij dreigend. Dan spreekt Martinus Nijhoff tot mij. Voor het eerst hoor ik zijn stem. „Ik ging een dag uit vissen”, begint hij. Heldere stem, plechtig, met nadrukkelijke klemtonen en ronde o’s. „Maar toen heeft het geschreven,/ zonder haast en zonder schroom, / al wat ik van mijn leven / nog ooit te schrijven droom.”

Stroomstootjes. Kippenvel. Dit is de stem van Nijhoff! Wat was dit een geweldige Gedichtendag.

Joke van Leeuwen schreef ter gelegenheid van Gedichtendag de Gedichtendagbundel, te koop voor €2,50. Meer info op: gedichtendag.com